Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de leden van de wrakingskamer die zijn wrakingsverzoek tegen mr. G.W. Brands-Bottema zouden behandelen. Hij stelde dat de rechters vooringenomen waren omdat zij niet binnen een half uur op zijn aanhoudingsverzoek hadden beslist.
De rechtbank oordeelde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond. Het feit dat de wrakingskamer nog niet had beslist op het aanhoudingsverzoek binnen een half uur, vormde geen aanwijzing voor vooringenomenheid. Verzoeker had bovendien niet afgewacht en had telefonisch contact kunnen zoeken.
Daarnaast concludeerde de rechtbank dat verzoeker misbruik maakte van de wrakingsmogelijkheid door de procedure te vertragen met zijn verzoek. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling wordt genomen.