ECLI:NL:RBGEL:2018:3915

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 september 2018
Publicatiedatum
11 september 2018
Zaaknummer
05/720346-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g SrArt. 14fa SrArt. 27 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf wegens niet naleven reclasseringsvoorwaarden

Op 12 februari 2018 is veroordeelde door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden waaronder het melden bij de reclassering en medewerking aan ambulante behandeling.

De officier van justitie diende op 8 mei 2018 een vordering in tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf omdat veroordeelde zich niet aan deze voorwaarden hield. De rechter-commissaris wees een eerdere vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging af op 9 mei 2018.

De rechtbank heeft op 27 augustus 2018 de raadsman gehoord, maar veroordeelde was niet verschenen en de raadsman was niet uitdrukkelijk gemachtigd om te verdedigen. Uit het advies van de reclassering van 7 augustus 2018 bleek dat veroordeelde zich niet meldde en slechts eenmaal telefonisch contact had met de reclassering.

De rechtbank oordeelt dat het niet naleven van de voorwaarden aan veroordeelde is toe te rekenen en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe. De voorwaardelijke straf van 4 maanden wordt daadwerkelijk opgelegd met aftrek volgens artikel 27 Sr Pro.

De beslissing is uitgesproken op 10 september 2018 door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland.

Uitkomst: De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden wegens niet naleven van reclasseringsvoorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
rechtbank
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer : 05/720346-17
beslissing ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht van de meervoudige kamer naar aanleiding van de op 8 mei 2018 ingekomen vordering
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verooreelde], geboren op [geboortedag] 1974 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
raadsman: mr. C.A. Boeve, advocaat te Putten.

1.De procedure

De veroordeelde is niet ter terechtzitting van 27 augustus 2018 verschenen. De verschenen raadsman was niet uitdrukkelijk gemachtigd om namens veroordeelde het woord ter verdediging te voeren.
Ter terechtzitting van 27 augustus 2018 is gehoord de officier van justitie.

2.De feiten

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:
- Het vonnis van de rechtbank van 12 februari 2018 waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
- zich zal melden bij Reclassering Nederland te Arnhem (of op een andere locatie indien Reclassering Nederland dat nodig acht) en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;
- zich, indien de reclassering dat noodzakelijk acht, onder ambulante behandeling zal stellen en zal meewerken aan vaststelling van een diagnose op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling en/of deskundige aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychiatrische stoornis;
- indien de reclassering dat noodzakelijk acht, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich zal houden aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- Een advies tenuitvoerlegging van de Reclassering Nederland, gedateerd 7 augustus 2018 waarin wordt gerapporteerd dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden die hem zijn opgelegd.
- De beschikking van de rechtbank Gelderland, kabinet rechter-commissaris, zittingsplaats Arnhem, waarbij de rechter-commissaris de vordering voorlopige tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling ex artikel 14fa van het Wetboek van Strafrecht op 9 mei 2018 heeft afgewezen.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering.

4.De motivering van de beslissing

De rechtbank is, gelet op de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, van oordeel dat het aan de veroordeelde te wijten is dat het reclasseringscontact niet naar behoren heeft plaatsgevonden.
De rechtbank heeft de behandeling van de vordering van veroordeelde op 18 mei 2018 aangehouden zodat veroordeelde de kans zou krijgen om zich (alsnog) te melden bij de reclassering. Veroordeelde heeft zich echter niet gemeld. De reclassering heeft, ondanks vele pogingen om veroordeelde te bereiken, slechts één keer telefonisch contact kunnen leggen met veroordeelde. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

6.De beslissing

De rechtbank:
Wijstde vordering
toeen
gelastde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 12 februari 2018 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
Deze beslissing is gegeven door mr. C. Kleinrensink, voorzitter, mr. S.A. van Hoof en
mr. H.F.R. van Heemstra, rechters in tegenwoordigheid van mr. E. Bruinsma-Visscher, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 september 2018.