ECLI:NL:RBGEL:2018:3726
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Vernietiging schorsingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldigheid
Eiser ontving sinds 2002 een WAO-uitkering naast loon van zijn werkgever, waarbij de uitkering aan de werkgever werd gecedeerd. Verweerder schortte de uitkering per 1 februari 2007 op omdat eiser niet was verschenen op een spreekuur van de verzekeringsarts, ondanks meerdere oproepen. Eiser verbleef echter langdurig in Noorwegen en had verweerder hierover tijdig geïnformeerd.
Verweerder handhaafde de schorsing bij besluit van november 2017, stellende dat eiser onvoldoende had meegewerkt aan de herbeoordeling. Eiser stelde dat hij zijn verplichtingen had nageleefd en verweerder onzorgvuldig had gehandeld door hem uit te nodigen terwijl bekend was dat hij in het buitenland verbleef.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er voldoende grond was voor de schorsing op basis van artikel 50 lid 2 WAO Pro. Het wijzigingsformulier dat eiser op 17 december 2006 indiende, toonde aan dat hij niet kon verschijnen op het spreekuur van 8 januari 2007. Verweerder heeft deze informatie genegeerd, waardoor het besluit onzorgvuldig en ondeugdelijk is.
De schorsing is bovendien onbegrijpelijk langdurig voortgezet zonder vervolgbesluit. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waardoor de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2007 moet worden hervat. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De schorsing van de WAO-uitkering per 1 februari 2007 wordt vernietigd en de uitkering moet worden hervat.