ECLI:NL:RBGEL:2018:2888

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 juli 2018
Publicatiedatum
2 juli 2018
Zaaknummer
05/760002-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak militair wegens ontbreken bijdrage van voldoende gewicht bij medeplegen poging zware mishandeling

De zaak betreft een 23-jarige militair die werd verdacht van medeplegen van poging tot zware mishandeling en mishandeling, gepleegd door het spuiten van brandbaar gas uit een bus deodorant op een slapende medesoldaat, gevolgd door het aansteken van het gas met een aansteker, waardoor het slachtoffer brandwonden opliep.

De officier van justitie stelde dat verdachte en een medeverdachte het feit samen hadden gepleegd, waarbij verdachte het incident had gefilmd en niets had gedaan om het te voorkomen, en vorderde een werkstraf.

De militaire kamer oordeelde echter dat verdachte zelf geen handelingen met de bus deodorant of aansteker had verricht en dat het filmen en niet ingrijpen onvoldoende was voor medeplegen. Er was geen bewuste en nauwe samenwerking vooraf en verdachte had geen bijdrage van voldoende gewicht geleverd.

Daarom sprak de militaire kamer verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. Het vonnis werd uitgesproken op 2 juli 2018 door de meervoudige militaire kamer van de Rechtbank Gelderland.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van een bijdrage van voldoende gewicht aan het strafbare feit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/760002-18
Datum uitspraak : 2 juli 2018
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
raadsman: mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2018.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2017 tot en met 15 december 2017 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal (met) een fles/bus deodorant op het (onder)lichaam van die [slachtoffer] heeft gericht en/of heeft gespoten waarbij hij en/of zijn mededader het uitstromende gas en/of de uitstromende vloeistof met een aansteker heeft laten ontbranden, terwijl die [slachtoffer] zich slapend (deels) onder een deken en/of laken in een bed bevond, waardoor die [slachtoffer] , (eerstegraads en/of tweedegraads) brandwonden aan de/een bovenbe(e)(e)n heeft bekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 14 december 2017 tot en met 15 december 2017 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] (telkens) heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal (met) een fles/bus deodorant op het (onder)lichaam van die [slachtoffer] te richten en/of te spuiten waarbij hij en/of zijn mededader het uitstromende gas en/of de uitstromende vloeistof met een aansteker te laten ontbranden, terwijl die [slachtoffer] zich slapend (deels) onder een deken en/of laken in een bed bevond, waardoor die [slachtoffer] , (eerstegraads en/of tweedegraads) brandwonden aan de/een bovenbe(e)(e)n heeft bekomen.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie hebben verdachte en medeverdachte het feit tezamen en in vereniging gepleegd, nu verdachte het incident heeft gefilmd en niets heeft gedaan om het gedrag van medeverdachte te voorkomen. Verder is de officier van justitie van mening dat verdachte met zijn gedrag de aanmerkelijke kans heeft geaccepteerd dat aangever door de vlam zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte hiertoe te veroordelen tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer. Hierbij heeft de raadsman nog wel opgemerkt dat hij niet vindt dat het feit tezamen en in vereniging is gepleegd.
Beoordeling door de militaire kamer
Op basis van het dossier overweegt de militaire kamer dat op 15 december 2017 op de Johannes Postkazerne het volgende is voorgevallen.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kwamen na een feest op de kazerne op het idee om te gaan ‘geinen’ bij medesoldaat [slachtoffer] (aangever). Binnen de kazerne zou het vaker gebeuren dat bij iemand die slaapt getreiterd wordt, zoals scheerschuim op iemand smeren of iemands hand in een bakje water steken. Toen verdachte en medeverdachte bij aangever waren hebben ze eerst wc-rollen naar hem gegooid. Hier werd aangever niet wakker van. Vervolgens heeft medeverdachte een bus deodorant en een aansteker gepakt. Verdachte heeft toen zijn telefoon gepakt om te gaan filmen. Vervolgens heeft medeverdachte tot drie keer toe met de bus deodorant in de richting van aangever gespoten waarbij hij telkens met behulp van een aansteker het uitstromende gas heeft laten ontbranden. Verdachte heeft dit allemaal gefilmd. Aangever werd hier niet wakker van en toen zijn verdachte en medeverdachte weggegaan.
De militaire kamer stelt allereerst voorop dat verdachte zelf geen handelingen met de bus deodorant of de aansteker heeft uitgevoerd. Hierdoor kan verdachte in ieder geval niet als pleger van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde worden gezien. Een bewezenverklaring zou slechts kunnen volgen als er sprake is geweest van medeplegen in de vorm van in vereniging plegen. Hiervoor dient een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte tot het plegen van het feit te hebben plaatsgevonden, en moet verdachte hiertoe een bijdrage van voldoende gewicht aan het feit hebben geleverd. Hiertoe overweegt de militaire kamer als volgt.
Tijdens de handeling van medeverdachte heeft verdachte het voorval gefilmd en heeft hij medeverdachte niet op het feit aangesproken of anderszins ingegrepen. De militaire kamer is van oordeel dat dit op zichzelf geen bijdrage van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Hiervoor is het belang van de rol van verdachte te klein, en daarbij komt dat de rollen van verdachte en medeverdachte niet inwisselbaar zijn. Ook in de voorbereiding van het strafbare feit ziet de militaire kamer geen aanleiding om een bewuste en nauwe samenwerking aan te nemen. Zowel verdachte als medeverdachte heeft verklaard dat er vooraf geen afspraken zijn gemaakt over de bus deodorant en de aansteker. Slechts is tegen elkaar gezegd dat ze zouden gaan klieren bij [slachtoffer] . Verder hebben zij beiden verklaard dat zij deze handeling nog nooit eerder hebben uitgevoerd, en dit ook niet vaker gebeurde op de kazerne. Medeverdachte is dus op het moment zelf op het idee gekomen om deze ‘stunt’ uit te voeren. Verdachte heeft medeverdachte niet op dit idee gebracht en had dit gedrag van te voren ook niet kunnen en hoeven te verwachten in het kader van ‘klieren’.
Gelet op voornoemde omstandigheden oordeelt de militaire kamer dat, hoewel het handelen van verdachte zeker als laakbaar kan worden gezien, er geen sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, en verdachte geen bijdrage van voldoende gewicht aan het strafbare feit heeft geleverd. Hierdoor is er geen sprake van medeplegen in de vorm van in vereniging plegen. De militaire kamer zal de verdachte daarom vrijspreken van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit.

3.De beslissing

De militaire kamer:
 Spreekt verdachte vrij van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen (voorzitter), en mr. V.P. van Deventer, rechters, en Kolonel mr. C.E.W. van de Sande, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2018.
Mr. J.B.J. Driessen en mr. V.P. van Deventer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.