De rechtbank Gelderland behandelde op 26 april 2018 de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die was veroordeeld voor het voorhanden hebben van een hennepplantage, harddrugs, wapens, gevaarzetting door diefstal van elektriciteit en schuldwitwassen. De officier van justitie vorderde vaststelling en ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €20.522,62.
Tijdens de zitting gaf de verdediging aan dat de opbrengst van de hennepplantage lager was dan geschat, omdat de oogst eerder dan gebruikelijk plaatsvond vanwege brandgevaar en dat de opbrengst deels was verrekend met een schuld aan adviseurs van de kwekerij. De veroordeelde ontving contant €2.700 en ging ervan uit dat zijn schuld hiermee was afgelost.
De rechtbank maakte gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €10.000, waarvan €2.700 contant was ontvangen en de rest was verrekend met de schuld. Na aftrek van het bedrag dat reeds was verbeurdverklaard, werd het definitieve bedrag vastgesteld op €7.300. De veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en het bewijs bestond uit politieprocessen-verbaal, een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en overige schriftelijke stukken. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland op 9 mei 2018.