Op 24 februari 2017 ontstond in het appartement van de verdachte een confrontatie met het slachtoffer, waarbij de verdachte een mes ter hand nam en het slachtoffer in de onderbuik stak. Het slachtoffer liep een steekwond van 5 tot 8 centimeter diep op. De officier van justitie beschouwde dit als poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.
De verdachte verklaarde een prikkende beweging te hebben gemaakt, maar de rechtbank oordeelde dat het een stekende beweging was en dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. De verdediging voerde echter aan dat de verdachte handelde uit noodweer en noodweerexces, omdat zij zichzelf en haar dochter moest verdedigen tegen een aanval van het slachtoffer.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte en haar dochter zijn aangevallen, maar dat het gebruik van het mes niet in verhouding stond tot de aanranding, waardoor noodweer niet slaagde. Wel was sprake van noodweerexces, omdat de verdachte uit een hevige gemoedsbeweging handelde veroorzaakt door de aanval en de angst voor haar dochter. Daarom werd de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
De civiele vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafzaak niet tot een veroordeling leidde. De rechtbank sprak de verdachte vrij en ontsloeg haar van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces.