Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[gedaagde sub 1]
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
816,00
Rechtbank Gelderland
In deze zaak gaat het om de executie van een eerder in kort geding gewezen vonnis waarbij [gedaagde sub 1] en EHK Beheer B.V. hoofdelijk waren veroordeeld tot afgifte van een bevochtigingsmachine en bijbehorende onderdelen aan de eenmanszaak van eiser. Ondanks de veroordeling en opgelegde dwangsommen hebben de gedaagden niet aan hun verplichtingen voldaan.
Eiser vordert dat de veroordeling tegen [gedaagde sub 1] uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt verklaard en dat de dwangsom tegen EHK wordt verhoogd. [gedaagde sub 1] betwist de rechtsmacht van de Nederlandse rechter vanwege zijn verblijf in IJsland, maar de rechtbank oordeelt dat de rechter wel bevoegd is omdat [gedaagde sub 1] bestuurder is van de in Nederland gevestigde vennootschap.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet tot afgifte in staat is. Gezien de financiële situatie van de gedaagden en het uitblijven van nakoming ondanks dwangsommen, acht de rechtbank lijfsdwang gerechtvaardigd. De gevorderde verhoging van de dwangsom tegen EHK wordt afgewezen omdat dit geen extra prikkel oplevert.
De rechtbank veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van de procedure en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang, met een maximale duur van één jaar en telkens periodes van 30 dagen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Veroordeling tegen natuurlijke persoon uitvoerbaar bij lijfsdwang verklaard; verhoging dwangsom tegen rechtspersoon afgewezen.