ECLI:NL:RBGEL:2018:1146
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstige misdragingen tijdens detentie
Veroordeelde is onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar, waarvan hij sinds 5 juli 2010 vastzit. Tijdens zijn detentiefase wordt hij verdacht van drie ernstige strafbare feiten, waaronder moord of gekwalificeerde doodslag, wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting. De rechtbank Midden-Nederland heeft ernstige bezwaren vastgesteld tegen veroordeelde voor deze feiten.
De officier van justitie verzocht om de voorwaardelijke invrijheidstelling, die gepland stond op 12 oktober 2018, geheel achterwege te laten. Dit verzoek is gebaseerd op het ernstige gedrag van veroordeelde na aanvang van de tenuitvoerlegging van zijn straf. Tijdens de zitting was veroordeelde niet aanwezig, maar zijn raadsman en de officier van justitie werden gehoord.
De rechtbank heeft de relevante stukken bestudeerd, waaronder bevelen tot bewaring en gevangenhouding, politieverslagen en verhoren van veroordeelde. Gelet op de ernst van de nieuwe feiten en het feit dat één van deze feiten vergelijkbaar is met het feit waarvoor veroordeelde zijn straf uitzit, concludeert de rechtbank dat de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig achterwege moet blijven.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe, waardoor veroordeelde de resterende gevangenisstraf volledig zal uitzitten.