Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de zaak behandelde waarin hij de Diaconie dagvaardde wegens onrechtmatige snoeiwerkzaamheden op zijn perceel. Het verzoek was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid vanwege de lidmaatschap en nevenfuncties van de rechter bij de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), vermeende speciale roosterindeling, en de wijze van zittingvoering.
De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend, maar dat latere aangevoerde gronden niet ontvankelijk waren omdat ze niet gelijktijdig met het verzoek waren ingediend. De rechtbank vond geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid. Het lidmaatschap van de rechter bij de PKN en eerdere vonnissen in zaken met de PKN als partij vormden op zichzelf geen reden tot wraking.
Ook was er geen bewijs dat de rechter zich speciaal had laten inroosteren. De regiefunctie van de rechter tijdens de zitting, waaronder het geven van een voorlopig oordeel en het beperken van spreektijd, werd als gebruikelijk en niet vooringenomen beoordeeld. Het wrakingsverzoek werd daarom voor het grootste deel afgewezen en voor een deel niet-ontvankelijk verklaard.