Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2017:5931

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 november 2017
Publicatiedatum
17 november 2017
Zaaknummer
05/001553-16
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens noodweerexces bij openlijke geweldpleging met zwaar letsel

Op 24 mei 2015 vond in de gemeente Ede een incident plaats waarbij de verdachte en een medeverdachte het slachtoffer, de ex-man van de vrouw, fysiek aanvielen voor hun woning. Het slachtoffer had de vrouw aangevallen, waarna de verdachte en medeverdachte te hulp schoten. Het slachtoffer liep daarbij meerdere breuken in het gezicht op.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte en medeverdachte openlijk geweld hebben gepleegd tegen het slachtoffer, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel. De verdediging voerde aan dat sprake was van noodweer en subsidiar noodweerexces. Uit verklaringen, waaronder die van een onafhankelijke getuige, bleek dat het slachtoffer de confrontatie was begonnen en de eerste aanvallen uitvoerde.

Hoewel de rechtbank oordeelde dat het geweld tot het moment dat het slachtoffer op de grond lag binnen aanvaardbare grenzen bleef, werd het daarna overschreden toen de verdachte het slachtoffer met een schoen sloeg. Dit werd echter toegerekend aan een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanval van het slachtoffer, waardoor het beroep op noodweerexces slaagde.

De rechtbank sprak de verdachte vrij en ontsloeg haar van alle rechtsvervolging. Tevens werd de civiele vordering van het slachtoffer afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat geen straf of maatregel werd opgelegd.

Uitkomst: Verdachte en medeverdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces na openlijke geweldpleging met zwaar letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/001553-16
Datum uitspraak : 17 november 2017
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]
raadsvrouw: mr. W. Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2017.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Primair
zij op of omstreeks 24 mei 2015, in de gemeente Ede, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, [adres] , in elk geval op of aan een openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het opzettelijk gewelddadig aanvallen van en/of indringen op en/of het meermalen in elk geval
eenmaal schoppen en/of trappen en/of stompen en/of slaan op/tegen het hoofd en/althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl dit door haar gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer schedelfracturen en/of/althans een of meer breuk(en) van/in de kaak en/of de oogkas althans enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
Subsidiair
zij op of omstreeks 24 mei 2015, in de gemeente Ede , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een/of
meer schedelfracturen en/of een of meer breuk(en) van/in de kaak en/of oogkas, heeft toegebracht, door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal te schoppen en/of te trappen en/of door die [slachtoffer] terwijl deze al dan niet gedeeltelijk op de grond lag in het gezicht en/althans op tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of door die [slachtoffer] met een
schoen, althans met een hard en/of puntig voorwerp op/tegen het hoofd te slaan;
Meer Subsidiair
zij op of omstreeks 24 mei 2015, in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal met kracht heeft geschopt en/of getrapt en/of terwijl die [slachtoffer] al dan niet gedeeltelijk op de grond lag, die [slachtoffer] met kracht in het gezicht en/althans op/tegen het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of met een schoen, althans met een hard en/of zwaar en/of puntig voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Meest Subsidiair
zij op of omstreeks 24 mei 2015, in de gemeente Ede, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen;

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld tegen [slachtoffer] , gelet op de verklaringen van aangever, verdachte zelf en [medeverdachte] .
De rechtbank acht daarbij ook bewezen dat [medeverdachte] aangever meermalen tegen het hoofd heeft gestompt, gezien de verklaring van [getuige] , waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, zoals omschreven in de geneeskundige verklaring.

3.Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
Primair
zij op
of omstreeks24 mei 2015, in de gemeente Ede, openlijk, te weten
op ofaan de openbare weg, [adres] ,
in elk geval op of aan een openbare wegin vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het opzettelijk
gewelddadig aanvallen van en/of indringen op en/of hetmeermalen
in elk geval
eenmaal schoppen en/of trappen en/ofstompen
en/of slaanop/tegen het hoofd
en
/althanshet lichaam van die [slachtoffer] , terwijl dit door haar gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een
of meerschedelfractuur en
/of/althans een of meerbreuk
(en
)van
/inde kaak en
/ofde oogkas
althans enig lichamelijk letselvoor die [slachtoffer]
ten gevolge heeft gehad;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

5.De strafbaarheid

De verdediging heeft primair gesteld dat er sprake is van noodweer. Subsidiair bepleit de verdediging dat er sprake is van noodweerexces.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat aangever haar eerst met kracht aan haar arm heeft getrokken toen zij achter haar zoon aanliep. Hierna schopte aangever haar tegen haar bovenbeen. Verdachte weet niet of zij hierna geslagen heeft maar voelde dat ze hard in haar gezicht werd geslagen, waardoor haar bril van haar hoofd werd geslagen en stuk ging. Op dat moment kwam [medeverdachte] aangelopen die zei “niet doen, je wilt niet slaan, doe rustig”. Ze zag toen dat aangever uithaalde richting [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft toen aangever tegen de grond geslagen en kwam op aangever te liggen. Volgens Meij werd er toen over en weer geslagen.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment zag dat aangever verdachte met de vuist in het gezicht sloeg. Ook zag hij dat aangever verdachte op het lichaam sloeg en meerdere malen tegen de benen schopte. Verdachte verdedigde zich en riep op een gegeven moment [medeverdachte] . [medeverdachte] probeerde ze uit elkaar te halen en gaf aan dat hij niet wilde vechten. Hierop probeerde aangever [medeverdachte] te slaan. Omdat aangever [medeverdachte] wilde slaan en de situatie uit de hand liep merkte [medeverdachte] dat er in zijn hoofd iets veranderde. [medeverdachte] wilde aangever naar eigen zeggen slaan maar dat lukte niet. Toen beiden half op de grond terechtkwamen is [medeverdachte] instinctief op aangever gesprongen en heeft hij hem twee keer met de vuist geslagen.
Dat aangever is begonnen met vechten wordt bevestigd door de verklaring van de (onafhankelijke) [getuige] . Die heeft verklaard dat aangever en verdachte over en weer schreeuwden en dat aangever verdachte toen aanviel door op haar in te slaan. Aangever sloeg en schopte verdachte en maakte met gebalde vuisten slaande bewegingen in de richting van verdachte. Hij raakte verdachte in het gezicht en sloeg de bril van haar hoofd. Hierop begon verdachte terug te schoppen en slaan. [medeverdachte] sprong toen tussen aangever en verdachte in en sloeg aangever, die op de grond terecht kwam. [medeverdachte] sprong toen op aangever en sloeg hem vijf keer met gebalde vuist tegen het hoofd.
Daarna liep [medeverdachte] weg. Aangever kwam overeind en werd toen nog door verdachte met een schoen tegen het achterhoofd geslagen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een noodweersituatie. Aangever heeft immers de confrontatie gezocht door zelf naar het huis van verdachte te gaan en na een woordenwisseling te beginnen met het schoppen en slaan van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is het door verdachte uitgeoefende geweld tot het moment van het naar de grond slaan van aangever binnen aanvaardbare grenzen gebleven.
Toen aangever door [medeverdachte] tegen de grond en meerdere malen in het gezicht was geslagen, en daarna overeind kwam, was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake meer van een situatie die noopte tot enige verdediging. Op dat moment heeft verdachte de grenzen van de geboden en noodzakelijke verdediging overschreden door aangever met een schoen tegen het hoofd te slaan. De rechtbank acht echter aannemelijk dat de overschrijding het gevolg is geweest van een door het gedrag van aangever veroorzaakte hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat ze bang voor aangever was en volledig ontdaan was door het gebeurde. In die toestand voegde aangever haar volgens haar ook nog een doodswens toe. Het is aannemelijk dat verdachtes gemoedstoestand door de mishandeling door aangever nog voortduurde toen aangever al op de grond zat en die gemoedstoestand haar ertoe heeft gedreven te ver te gaan in haar verdediging.
Het beroep op noodweerexces slaagt dus. Verdachte is niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
Omdat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en geen toepassing zal worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

7.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit vermeld onder punt 4;
 verklaart verdachte hiervoor
nietstrafbaar;

ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
 Verklaart de
benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijkin de vordering.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. M.A. Bijl (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. Y.H.M. Marijs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 november 2017.