ECLI:NL:RBGEL:2017:5365
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verjaring vordering tot verwijdering uitzichtgevende ramen en haag
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de vordering tot het ondoorzichtig maken van twee uitzichtgevende ramen in een garage verjaard was en of een haag verwijderd moest worden. De rechtbank bevestigde dat de ramen sinds 1988 aanwezig zijn en dat het uitzicht vanaf deze ramen niet verder reikt dan tot tegen de erfgrens staande ondoorzichtige beplanting, waardoor geen sprake is van verboden uitzicht zoals bedoeld in artikel 5:50 BW Pro.
Getuigenverklaringen bevestigden dat er zicht was op het terrein van de buren, ondanks aanwezige bomen en struiken die echter niet ondoorzichtig waren. De rechtbank concludeerde dat het bewijs dat het uitzicht gedurende twintig jaar bestond, was geleverd en wees de vordering tot het ondoorzichtig maken van de ramen af.
De vordering tot verwijdering van haag 2 werd toegewezen met een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €10.000, terwijl een andere vordering tot het verwijderen van nieuwe hagen werd afgewezen omdat geen aanwijzingen waren dat nieuwe hagen geplant zouden worden. De kosten werden tussen partijen gecompenseerd, behalve in reconventie waar de gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot verwijdering van de ramen wordt afgewezen wegens verjaring, de vordering tot verwijdering van haag 2 wordt toegewezen met een dwangsom.