ECLI:NL:RBGEL:2017:4490

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 augustus 2017
Publicatiedatum
31 augustus 2017
Zaaknummer
05/760054-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak militairen wegens gebrek aan bewijs poging zware mishandeling met chloorwater

Op 2 juli 2015 vond bij het 44 Pantserinfanterie-bataljon een inwijdingsritueel plaats waarbij chloorhoudend water over andere militairen werd gegooid. Dit leidde tot ernstige lichamelijke klachten bij de slachtoffers, waaronder irritaties aan de ogen, ademhalingsproblemen en brandwonden van de eerste en tweede graad.

De drie verdachten werden beschuldigd van poging tot zware mishandeling dan wel mishandeling met voorbedachten rade door het gooien van emmers met chloorhoudend water. Uit het onderzoek, waaronder NFI-rapporten en getuigenverklaringen, bleek dat chloorhoudende middelen daadwerkelijk waren toegevoegd aan het water en over de slachtoffers werden gegooid.

De militaire kamer oordeelde echter dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachten zelf het chloor hadden toegevoegd of wisten dat het water chloor bevatte. Getuigen hadden ook anderen gezien die middelen aan het water toevoegden. De geur van chloor werd pas na het gooien waargenomen en chloortabletten lagen vrij toegankelijk op de kazerne.

Gezien het ontbreken van bewijs voor opzet en kennis van het chloorgebruik werden de verdachten vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. De kamer benadrukte dat het incident ernstige gezondheidsrisico's met zich meebracht en schadelijk was voor de krijgsmacht, maar dat dit onvoldoende was om strafrechtelijke verantwoordelijkheid vast te stellen.

Uitkomst: Verdachten werden vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat zij het chloorhoudende water hadden toegevoegd of daarvan wisten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/760054-15
Datum uitspraak : 28 augustus 2017
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige militaire kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres]
raadslieden: mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Baarn en mr. F.F. Aarts, advocaat te Amsterdam
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 juni 2016 en 28 augustus 2017.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Primair
hij op of omstreeks 02 juli 2015 in de gemeente Steenwijkerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] (soldaat der eerste klasse) en/of [slachtoffer 2] (sergeant) opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - een of meer emmers water met chloorhoudende schoonmaakmiddelen op/over het hoofd en/of lichaam die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
Subsidiair
hij op of omstreeks 02 juli 2015 in de gemeente Steenwijkerland,, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met voorbedachten rade [slachtoffer 1] (soldaat der eerste klasse) en/of [slachtoffer 2] (sergeant) heeft mishandeld door een of meer emmers water met chloorhoudende schoonmaakmiddelen over het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te gooien.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Met de verdediging en de officier van justitie is de militaire kamer van oordeel dat vrijspraak moet volgen van de gehele tenlastelegging en overweegt daartoe als volgt.
De militaire kamer heeft – op grond van de inhoud van de NFI-rapporten en de overige bewijsmiddelen – de overtuiging dat bij het “Phoenix-inwijdingsritueel” op 2 juli 2015 daadwerkelijk chloorhoudende middelen, gemengd in emmers met water, over [slachtoffer 1] (soldaat der eerste klasse) en [slachtoffer 2] (sergeant) heen zijn gegooid. Daardoor zijn verschillende ernstige lichamelijke gevolgen ontstaan in de vorm van irritaties aan ogen en problemen bij de ademhaling tot pijnlijke 1e en 2e graads brandwonden. Het is zeer onwaarschijnlijk dat deze gevolgen zijn ontstaan door de zeep en de schoonmaakmiddelen waarvan verdachte heeft verklaard die te hebben toegevoegd aan het water in de emmers.
De militaire kamer overweegt dat door het gooien van de chloorhoudende middelen onaanvaardbaar grote gezondheidsrisico’s zijn genomen voor de betrokken militairen. Bovendien is dit incident schadelijk voor dit specifieke landmachtonderdeel en zijn tradities, alsmede voor het aanzien van de krijgsmacht als geheel.
Gelet daarop is de militaire kamer van oordeel dat dit een zeer kwalijke zaak betreft.
De vraag is vervolgens of verdachte voor genoemd incident strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verschillende militairen – waaronder in elk geval deze verdachte – middelen aan het water in de emmers hebben toegevoegd en vervolgens dat mengsel over andere militairen, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben gegooid. De militaire kamer heeft echter niet de overtuiging dat het verdachte en/of zijn medeverdachten was/waren die chloor daaraan heeft/hebben toegevoegd, dan wel dat zij wist(en) dat het mengsel in de emmers ook chloor bevatte.
De militaire kamer overweegt daartoe als volgt.
Door verschillende getuigen is waargenomen dat ook anderen dan verdachte en zijn mede- verdachten middelen aan de emmers hebben toegevoegd en daarmee hebben gegooid. Het is onbekend gebleven wie daadwerkelijk het chloor in de emmers heeft gedaan. De geur van het chloor is door getuigen pas geroken nadat de vloeistof uit de emmers was gegooid, zodat niet kan worden vastgesteld dat de watergooiers – onder wie de verdachte – het chloor van tevoren had moeten ruiken. Bovendien was op de kazerne algemeen bekend waar de chloortabletten lagen. Iedereen kon daarbij komen. Tot slot zijn chloortabletten kleine voorwerpen die gemakkelijk mee konden worden genomen en ongemerkt in een emmer konden worden gegooid.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de militaire kamer van oordeel dat het opzet op de ten laste gelegde handelingen niet kan worden bewezen zodat verdachte zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

3.De beslissing

De meervoudige militaire kamer:
 Spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. R.S. Croll, rechters, en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. E.W.A. Nabbe, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 augustus 2017.