ECLI:NL:RBGEL:2017:4345

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 augustus 2017
Publicatiedatum
22 augustus 2017
Zaaknummer
C/05/322200 / KZ RK 17/112
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 512 SvArt. 513 SvArt. 8:15 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek rechter wegens gebrek aan concrete feiten

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. H.C.A. Walda, rechter bij de rechtbank Gelderland, stellende dat de rechter geen reden kon geven voor haar gevangenhouding en dat dit haar hoger beroep zou belemmeren.

De rechtbank overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten of omstandigheden die rechterlijke onpartijdigheid aantasten. Verzoekster bracht echter geen concrete feiten aan die onpartijdigheid aantonen of de vrees daarvoor objectief rechtvaardigen.

De rechtbank constateerde dat de rechter recent geen zaken met verzoekster behandelde en dat verzoekster eerder al een wrakingsverzoek zonder voldoende grond had ingediend, wat als misbruik van het wrakingsmiddel werd gezien.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat een volgend vergelijkbaar wrakingsverzoek niet meer in behandeling zal worden genomen. De beschikking werd in openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en volgend vergelijkbaar verzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/322200 / KZ RK 17/112
Beschikking van 21 augustus 2017
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
wonende te [woonplaats], [adres],
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. H.C.A. Walda,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.1. De procedure

1.1
Verzoekster heeft op 13 juni 2017 een wrakingsverzoek ingediend, dat is aangemerkt als een wrakingsverzoek gericht tegen mr. H.C.A. Walda.
1.2
De rechter heeft bij emailbericht van 23 juli 2017 gereageerd op het verzoek tot wraking.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Verzoekster stelt dat de rechter geen reden voor de gevangenhouding op heeft kunnen geven. De maatregel past niet bij de vertaling die anderen daaraan geven. Daarnaast is er geen begrenzer op de maatregel geplaatst waar verzoekster om vroeg. Nu staat de rechter hierdoor de hoger beroepzaken van verzoekster in de weg.
2.2
Volgens de rechter is verzoekster, zover hij kan nagaan, niet bij hem bekend en heeft hij recentelijk geen zaak behandeld waarbij verzoekster betrokken zou zijn geweest. Bovendien heeft hij de afgelopen 20 jaar niet met gevangenhouding van doen gehad.

3.De beoordeling

3.1
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)/ 512 en 513 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)/ 8:15 en 8:16 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.
3.2
Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat de rechter recentelijk een beslissing over een vrijheidsbenemende maatregel jegens verzoekster heeft genomen. Verzoekster heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit de rechtbank kan afleiden dat sprake is van rechterlijke onpartijdigheid, laat staan zodanige omstandigheden waardoor verzoekster schade zou kunnen leiden. Gelet hierop komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven. De rechtbank zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
3.3
Verzoekster heeft eerder een wrakingsverzoek gedaan zonder naar behoren concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit in redelijkheid zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De beschikking van 23 december 2016 heeft tot de conclusie geleid dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van misbruik. De rechtbank zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 Rv Pro/515 lid 4 Sv/ 8:18 lid 4 Awb bepalen dat een nieuw, vergelijkbaar verzoek tot wraking niet meer in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De rechtbank
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek om wraking,
- bepaalt dat een volgend vergelijkbaar wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beschikking is gegeven door de mrs. L.J.P. Lambooij (voorzitter), Y.M.J.I. Baauw en J.R. Veerman in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Verhagen en in openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.