Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[Eiser]
[Eiser], wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder, eiseres sub 1,
[eiser]
1.[waarnemende huisarts] ,
[huisarts]
1.De procedure
- het tussenvonnis van 6 april 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 14 juli 2016.
2.De feiten
toevoeging rechtbank: over het tweede bezoek van [waarnemende huisarts] aan [Eiser] in de vroege ochtend van 3 oktober 2002):
toevoeging rechtbank: bij [huisarts] )
toevoeging rechtbank: Wat was op basis van deze aantekeningen uw differentiaal diagnose?)
uit dat [Eiser] al dan niet tijdens het consult heeft aangegeven al maanden last te hebben van vermoeidheid en een beroerd gevoel?
toevoeging rechtbank: bij dr. [waarnemende huisarts] )
cursief).
preciesde heer [Eiser] zich tot de huisartsen heeft gericht, want de registratie daarvan is beperkt. Welke klachten zijn dan m.i. door de heer [Eiser] gepresenteerd aan de huisartsen?
de huisartsen een anamnese hebben afgenomendie een redelijk bekwame vakgenoot onder soortgelijke omstandigheden afgenomen zou hebben. Ik heb de anamnese van de huisartsen getoetst aan richtlijnen binnen de beroepsgroep aan de hand van de vraag wat de huisartsen op grond van de wel geregistreerde ingangsklachten hadden moeten vragen aan de heer [Eiser] actueel (zie mijn rapport). Ik heb dat beschreven in mijn rapport t.a.v. de ingangsklacht steken op de borstkas (zie NNG Standaard M80, acuut coronair syndroom of M43, stabiele angina pectoris, weliswaar minder van toepassing als de patiënt niet bekend is met angina pectoris). Deze overwegingen zijn relevant gezien de belaste familieanamnese voor HVZ (zie punt d, over wie in de familie de patiënt het heeft is dan de vraag). Ook t.a.v. de geregistreerde ‘longontsteking” deed ik via het trefwoord hoesten een literatuur verwijzing (…). Het is m.i. in beide gevallen belangrijk om iets te weten over de ontstaanswijze, de duur, het beloop (hoe lang heeft u die klachten, plotseling ontstaan?) en de voorgeschiedenis c.q. de mogelijke aanleiding tot de klacht, bv. met vragen als: heeft u daarvoor nog iets bijzonders gemerkt?; eerder deze klachten gehad?; verder gezond? E.d.
soms uit de evaluatie van de huisarts(c.q. de differentiaal diagnose)
worden afgeleid over welke informatie de huisarts nog meer beschikteop grond waarvan hij (mogelijk) tot zijn differentiaal diagnose is gekomen. Dat betreft dan niet een bewijs van wat vaststaat, maar een aannemelijke veronderstelling van mij als collega huisarts (i.r.).
waarschijnlijkis in beide consulten de episode, die aan de aanleiding om de huisarts te raadplegen (steken borstkas respectievelijk pijn in de onderrug) voorafging, in meer of mindere mate besproken, ofwel spontaan verteld door de heer [Eiser] dan wel verteld omdat de huisartsen ernaar gevraagd hebben.
familie aanvullende informatiedie de periode betreft voorafgaand aan de consulten bij de huisartsen (“al maanden last van vermoeidheid en een beroerd gevoel”). Het is aan de rechtbank om vast te stellen welke waarde deze aanvullende informatie heeft m.b.t. de vraag met welke klachten zich de heer [Eiser] tot de huisartsen heeft gericht. Deze informatie past m.i. wel in de context van bovenstaande gegevens. Als de Rechtbank alleen de huisartsjournaals als betrouwbare informatiebron beschouwt, dan zijn deze m.i. niet volledig “representatief” voor alles wat de heer [Eiser] spontaan heeft aangedragen c.q. heeft aangedragen n.a.v. de anamneses bij hem afgenomen door de huisartsen. Huisartsen registreren
al dan niettijdens het consult heeft aangegeven al maanden last te hebben van vermoeidheid en een beroerd gevoel?”.
bloedonderzoeknaar ontstekingsparameters een heel goed hulpmiddel geweest zijn bij het uitsluiten van een longontsteking. Een longontsteking kan immers zich voordoen zonder hoorbare afwijkingen bij het luisteren naar de longen. Een lage “CRP” sluit dan een longontsteking uit, terwijl een hoge “CRP” een sterke aanwijzing is voor een longontsteking (zie noot 19 met literatuurverwijzingen uit 1995 in de toen nog niet verschenen NHG Standaard M78 “Acuut Hoesten” uit 2003). Een dergelijke bepaling alleen op basis van een op zichzelf staande angst voor een longontsteking acht ik minder geïndiceerd, zeker als op dat moment er geen klachten waren (zie echter mijn antwoord op vraag 2 hierboven, spontaan gemeld en door de huisarts adequaat uitgevraagd) die een aanwijzing kunnen zijn voor een lage luchtweginfectie, ook niet bij iemand zonder milt.
temperatuurbij iemand zonder milt op basis van het uitgesproken vermoeden van een longontsteking. Ook hier is de vraag op grond waarvan iemand een longontsteking vermoedt (zie vraag 2) alles bepalend. In het geval dat iemand (patiënt en/of huisarts) een longontsteking vermoedt vanwege pijn borstkas (bij ademhaling of n.a.v. hoesten), kortademig zijn (bv. bij inspanning), ziek c.q. niet fit voelen etc. en “warm voelen” (en koorts niet gemeten) dan acht ik het meten van de lichaamstemperatuur geïndiceerd, zeker bij iemand zonder milt. De indicatie voor het meten van de temperatuur i.h.a. en bij de heer [Eiser] in het bijzonder bespreek ik ook in mijn antwoord op vraag 7.
logischerwijzeeen ontsteking zou overwegen dan wel wil uitsluiten: in eerste instantie is het uitsluiten c.q. aantonen van een ontsteking bij een patiënt een belangrijke verklaring voor klachten die bij lichamelijk onderzoek niet direct verklaard kunnen worden, zoals (langer bestaande) malaise (t.g.v. een chronische ontsteking) en in tweede instantie is een ontsteking bij iemand zonder milt een belangrijke diagnose vanwege de mindere weerstand. [huisarts] maakt in zijn toelichting d.d. 15-02 2012 een opvallend onderscheid tussen “malaise klachten dan wel een ontstekingsproces”. Het kunnen op zichzelf staande symptoomdiagnoses zijn maar ze kunnen ook sterk samenhangen: malaise klachten als gevolg van een (chronische) ontsteking.
Als[huisarts] denkt aan de mogelijkheid van een onstekingsproces, op grond van de door Timmerde spontaan ingebrachte klachten en/of door een adequate anamnese, doet hij er goed aan om het bloedonderzoek dat daarop gericht is snel (bij voorkeur dezelfde dag, uiterlijk de volgende dag) te laten bepalen, omdat (zelfs bij een niet afwijkend lichamelijk onderzoek) deze diagnose voor een patiënt
zonder miltbelangrijke consequenties heeft t.a.v. de behandeling (antibiotica en een goede monitoring) gezien de risico’s die een patiënt zonder milt loopt bij een ontsteking, zeker in vitale organen.
vraag 20. Deze betreft het consult d.d. 02-10 2002 en luidt: “Heeft de huisarts tijdens dit consult gehandeld met de zorg, die van een redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden?”. Van der Molen stelt “er is pijn en de patiënt antwoordt desgevraagd “geen koorts” etc. Van der Molen vindt het “in hoge mate speculatief dat ik stel dat de temperatuur gemeten had moeten worden. Hij onderbouwt dat met de beschrijving van de ingangsklacht door [waarnemende huisarts] zelf (rugpijn) en de (enige) overige informatie Koorts: neg. Op basis van die beperkte S-regel kan ik zijn conclusie delen. Er was echter meer informatie op grond waarvan ik tot mijn conclusie ben gekomen. Op de eerste plaats meldde de triagist “temp? Lijkt warm” (zie registratie van de CI-1N). Op de tweede plaats staat in de E-regel “spit EN viraal infect”. Om welke reden dan ook, de triagist lijkt het niet pluis te vinden en verbindt direct door met de huisarts en [waarnemende huisarts] heeft een infectie overwogen. Van der Molen is het eens met mijn rapport, m.u.v. vraag 8 en vraag 20. Ik ga er dan van uit dat hij het eens is met mijn antwoord op vraag 18.
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
26 juli 2017voor het opgeven door de erven [Eiser] van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden september tot en met december 2017, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
maar alleen indien de erven [Eiser] daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum hebben verzocht,naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van de erven [Eiser] , waarbij zij desgewenst ook het bewijs schriftelijk kunnen leveren,