Uitspraak
IZZ Zorgverzekeraar N.V.
Rechtbank Gelderland
De zorgverlener vorderde betaling van een openstaande factuur van € 991,73 plus buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente van de zorgverzekeraar IZZ, stellende dat de curator in het faillissement van een GGZ-instelling de vordering had gecedeerd aan hem. De zorgverzekeraar betwistte de rechtsgeldigheid van de cessie en stelde dat de vordering niet tot de faillissementsboedel behoorde.
De rechtbank stelde vast dat de zorgverlener de behandeling had uitgevoerd op basis van een raamovereenkomst met de failliete GGZ-instelling. Na het faillissement had de curator het zelfstandig declaratierecht aan de zorgverlener overgedragen, maar dat is niet hetzelfde als een rechtsgeldige cessie van de vordering. De zorgverzekeraar had de vergoeding geweigerd wegens onrechtmatige zorg en betwistte dat de cessie rechtsgeldig was, mede omdat geen mededeling aan de zorgverzekeraar was gedaan zoals vereist door artikel 3:94 lid 1 BW Pro.
De rechtbank oordeelde dat de overgelegde akte van cessie onvoldoende bewijs leverde voor een geldige cessie. Er was geen bewijs dat de zorgverzekeraar was geïnformeerd, noch dat er een afspraak was dat mededeling achterwege kon blijven. Daardoor was de vordering niet overgegaan op de failliete instelling en behoorde zij niet tot de faillissementsboedel. De vordering van de zorgverlener ontbrak daardoor aan grondslag en werd afgewezen. De zorgverlener werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de zorgverlener wordt afgewezen wegens het ontbreken van een rechtsgeldige cessie.