Uitspraak
[werkgever]
Rechtbank Gelderland
De werknemer trad in 1997 in dienst als directiesecretaresse en verrichtte later ook werkzaamheden op het gebied van personeelszaken. De werkgever stelde dat de werknemer disfunctioneerde en dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, wat ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigde. De werkgever baseerde dit onder meer op gesprekken en brieven waarin het functioneren van de werknemer werd bekritiseerd.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet had voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 3 BW Pro, omdat de werknemer niet tijdig en concreet was geïnformeerd over het disfunctioneren en er geen formeel verbetertraject was opgezet. De verstoorde arbeidsverhouding was bovendien veroorzaakt door de werkgever zelf, doordat zij naliet de werknemer adequaat te begeleiden.
Daarom kon van de werkgever redelijkerwijs worden verlangd het dienstverband voort te zetten en het verbetertraject alsnog in te richten. Het ontbindingsverzoek werd afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van disfunctioneren en het ontbreken van een verbetertraject.