ECLI:NL:RBGEL:2016:5115

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 september 2016
Publicatiedatum
22 september 2016
Zaaknummer
AWB - 12 _ 5441, 12_5442
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen rioolheffingsaanslagen 2010 gemeente Nijmegen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen twee aanslagen rioolrecht voor het jaar 2010 opgelegd door de gemeente Nijmegen voor panden aan de A-straat te Z. In het beroepschrift verwees eiser naar een eerdere procedure over 2006, zonder de daarbij behorende stukken of gronden te overleggen. Hierdoor ontbraken de vereiste gronden in het beroepschrift.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 18 juli 2016 uitdrukkelijk verzocht de gronden van het beroep binnen een gestelde termijn aan te vullen. Deze brief is op 19 juli 2016 door eiser ontvangen, maar er is geen reactie gekomen. Omdat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid tot aanvulling, voldoet het beroepschrift niet aan de eisen van artikel 6:5 Awb Pro.

De rechtbank oordeelt dat de verwijzing naar de eerdere procedure onvoldoende is, temeer daar eiser in die procedure in cassatie in het ongelijk is gesteld. Er zijn geen nieuwe gronden aangevoerd die het beroep kunnen ondersteunen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslagen rioolheffing 2010 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het niet aanvullen daarvan.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummers: AWB 12/5441 en 12/5442

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 september 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een tweetal aanslagen rioolrecht voor de panden [A-straat 1] en [A-straat 2] te [Z] opgelegd.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 september 2012 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.
Bij brief van 26 oktober 2012, ingekomen bij de rechtbank op 29 oktober 2012, heeft eiser beroep ingesteld tegen die uitspraken op bezwaar.
De rechtbank heeft eiser bij aangetekende brief van 18 juli 2016 gevraagd de gronden van het beroep in te dienen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat het beroepschrift de gronden van het beroep. In artikel 6:6 van Pro de Awb is bepaald dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2. Eiser heeft de gronden van de beroepen niet vermeld. In het beroepschrift is slechts verwezen naar de procedure over 2006, waarmee de rechtbank bekend is en die ten tijde van de indiening van het onderhavige beroepschrift ter behandeling bij Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch voorlag. Redenen voor het beroep kunnen zodoende achterwege blijven, aldus eiser. Deze verwijzing is naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid niet voldoende, zonder bijvoeging van bijvoorbeeld het beroepschrift uit die zaak. Dat de rechtbank bekend is met die procedure, doet daaraan niet af, nu de wet voorschrijft dat het beroepschrift de gronden dient te vermelden en aan dat vereiste op deze wijze niet is voldaan. De rechtbank ziet ook geen aanleiding aan dit gebrek voorbij te gaan. Niet-ontvankelijkverklaring is weliswaar niet dwingend voorgeschreven, nu artikel 6:5 van Pro de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk “kan” worden verklaard, maar in de procedure over 2006 is eiser uiteindelijk in cassatie in het ongelijk gesteld. Een verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, die in het voordeel van eiser was, kan hem dan ook niet baten. Er zijn geen gronden aangevoerd die afwijken van hetgeen reeds is afgewezen. Eiser is, nadat de Hoge Raad in de procedure over 2006 had beslist, bij voormelde brief van 18 juli 2016 in de gelegenheid gesteld de gronden aan te vullen. Blijkens bij PostNL via ‘Track & Trace’ (www.tracktrace.nl) ingewonnen informatie is de aangetekende brief op 19 juli 2016 door de geadresseerde in ontvangst genomen. Eiser heeft op deze brief echter niet gereageerd en heeft dus van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. In de brief van de rechtbank van 18 juli 2016 is vermeld dat, indien de gronden niet binnen de gestelde termijn worden ontvangen, niet-ontvankelijkverklaring kan volgen.
3. De beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van K. Smalburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 september 2016
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum verzet doen bij de Rechtbank Gelderland, Team belastingrecht, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. De indiener van het verzet kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Bij het doen van het verzet dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het verzetschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het verzetschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen verzet wordt gedaan;
d. de gronden van het verzet.