Eiser, werkzaam in substantieel bezwarende functies (SB-functies) sinds 1 augustus 2000, vroeg een loopbaanpremie aan op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie. Verweerder kende aanvankelijk een loopbaanpremie van 80% toe, later verhoogd tot 130% inclusief een bonus van 50%, maar weigerde de volledige premie van 150% toe te kennen.
De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip 'indiensttreding' in artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling. Verweerder stelde dat alleen de formele aanstelling in een SB-functie meetelde, terwijl eiser betoogde dat de feitelijke diensttijd bepalend was.
De rechtbank oordeelde dat het begrip 'indiensttreding' moet worden uitgelegd als de feitelijke situatie, mede gelet op het doel van de regeling om uitstroom uit SB-functies te stimuleren. Omdat eiser ruim 15 jaar feitelijk in SB-functies heeft gewerkt, heeft hij recht op een loopbaanpremie van 100% plus een bonus van 50%, samen 150%.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de loopbaanpremie betreft, herroept het eerdere besluit en kent eiser de volledige loopbaanpremie toe. Tevens veroordeelde zij verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.