Eiser, werkzaam in diverse substantieel bezwarende functies (SB-functies) sinds 2000, diende een aanvraag in voor een loopbaanpremie op grond van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie. Verweerder kende aanvankelijk een loopbaanpremie toe van 80%, later verhoogd tot 130% inclusief een bonus van 50%, maar weigerde het volledige recht van eiser op een loopbaanpremie van 150% toe te kennen vanwege een vermeende onderbreking in de formele aanstelling.
De kern van het geschil betrof de uitleg van het begrip ‘indiensttreding’ in artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling: of dit verwijst naar de formele aanstelling of de feitelijke situatie van werkzaamheden in een SB-functie. De rechtbank overwoog dat het doel van de regeling is om uitstroom uit SB-functies te stimuleren en dat de toelichting op de regeling wijst op een aaneengesloten feitelijke diensttijd.
De rechtbank concludeerde dat ‘indiensttreding’ moet worden uitgelegd als de feitelijke situatie en dat eiser recht heeft op een loopbaanpremie van 100% plus een bonus van 50%, totaal 150%. Het bestreden besluit werd vernietigd, het eerdere besluit herroepen en eiser deze loopbaanpremie toegekend. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.