ECLI:NL:RBGEL:2016:4686

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 juli 2016
Publicatiedatum
25 augustus 2016
Zaaknummer
288781
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 706 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling en beslagkosten wegens onvoldoende onderbouwd verweer bestuurder

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van een bedrag van €37.139,59 van gedaagde, die bestuursfuncties vervult binnen meerdere vennootschappen. Eiseres stelt dat gedaagde opvolgende vennootschappen heeft leeggehaald zonder voorzieningen voor crediteuren achter te laten.

De rechtbank oordeelt dat eiseres slechts kan stellen wat zij redelijkerwijs weet en dat gedaagde een verzwaarde stel- en onderbouwingsplicht heeft om zijn verweer te onderbouwen. Gedaagde stelt dat de holding geen activa had en geen concernverband bestond, maar de rechtbank constateert dat activa toch zijn overgedragen en dat gedaagde zijn verweer onvoldoende en niet naar waarheid heeft toegelicht.

Hierdoor wordt het verweer van gedaagde gepasseerd. De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van het gevorderde bedrag, de beslagkosten en proceskosten, met wettelijke rente en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €37.139,59 met rente, beslagkosten en proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/288781 / HA ZA 15-496
Vonnis van 13 juli 2016
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres],
gevestigd te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. E.R. Bakker te Alkmaar,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedaagde,
advocaat mr. S. Bharatsingh te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 6 april 2016
  • de akte uitlaten van [gedaagde]
  • de akte uitlating bewijsopdracht van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 6 april 2016 (onder 4.7 e.v.) heeft de rechtbank naar aanleiding van [eiseres] stelling dat [gedaagde] opvolgende vennootschappen leeggehaald heeft zonder een voorziening voor de crediteuren achter te laten, en de onderbouwing van deze stelling, overwogen dat [eiseres] niet meer kan stellen dan zij weet en redelijkerwijs kan weten en concluderen. De conclusie die [eiseres] uit de haar bekende feiten trekt, ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand.
2.2.
Het is, zo is in het tussenvonnis (4.12) overwogen, aan [gedaagde] aan te geven hoe de vork in de steel zit als [eiseres] het niet bij het rechte eind heeft. Op hem rust in zoverre als degene die uit hoofde van zijn bestuursfuncties op de hoogte moet zijn van de gang van zaken aan de kant van de drie vennootschappen, een verzwaarde stel- of onderbouwingsplicht. Overigens is, anders dan [eiseres] lijkt aan te nemen, niet door de rechtbank beslist dat er terzake bewijslast op [gedaagde] rust.
2.3.
De rechtbank houdt [gedaagde] , zoals zij heeft overwogen, aan zijn verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en zonodig zijn stellingen in het licht van die verplichting toe te lichten en op de zaak betrekkelijke bescheiden over te leggen.
2.4.
Gelet hierop heeft de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid gesteld bij akte aan te geven hoe de financiële positie van WI-Waterfun International Holdings B.V. en WI-Waterfun International B.V. was op 8 augustus 2014 en krachtens welke transacties activa uit (een van deze) vennootschappen zijn overgedragen aan de op 7 oktober 2014 opgerichte AquaParx B.V.
2.5.
[gedaagde] heeft hierop aangevoerd dat tussen de holding WI-Waterfun International Holdings B.V. en de dochter WI-Waterfun International B.V. geen concernverband bestaat en dat de holding volgens de jaarrekening 2014 en op 8 augustus 2014 niet over activa beschikte en slechts schulden had. De achtergrond hiervan, licht [gedaagde] toe, is dat op de bedrijfsmiddelen die de holding voor haar ondernemingsactiviteiten gebruikte, waaronder de door [eiseres] geleverde zaken, een eigendomsvoorbehoud rustte.
2.6.
De holding, zo vervolgt [gedaagde] , had wel schulden, waaronder schulden aan hem.
2.7.
De conclusie van [gedaagde] is dat het de holding onmogelijk geweest is activa over te dragen om de eenvoudige reden dat zij hierover niet beschikte.
2.8.
En toch is dit laatste onmiskenbaar gebeurd, zoals [eiseres] en de rechtbank (tussenvonnis onder 4.11) hebben kunnen vaststellen.
2.9.
De conclusie is dat [gedaagde] die volgens de rechtbank op de hoogte moet zijn geweest van de gang van zaken bij de vennootschappen – waarbij irrelevant is of tussen deze een concernverband bestaat of bestaan heeft – zijn verweer onvoldoende onderbouwt en bovendien kennelijk nalaat de rechtbank naar waarheid en volledig voor te lichten.
2.10.
Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat zijn verweer als onvoldoende onderbouwd moet worden gepasseerd.
2.11.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het gegeven dat [gedaagde] zelf onvoldane vorderingen op de holding WI-Waterfun International Holdings B.V. heeft, geen rol speelt en mag spelen bij de beoordeling van de vordering van [eiseres] .
2.12.
[eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 918,38 voor verschotten en € 579,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 579,00).
2.13.
[gedaagde] zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 77,84
- griffierecht 1.296,00
- salaris advocaat
1.447,50(2,5 punten × tarief € 579,00)
Totaal € 2.821,34

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 37.139,59 (zevenendertig duizendéénhonderdnegenendertig euro en 59 cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 23 juli 2015 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.497,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.821,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2016.