ECLI:NL:RBGEL:2016:4453

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 mei 2016
Publicatiedatum
10 augustus 2016
Zaaknummer
301892
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken van feiten die onpartijdigheid rechter aantonen

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter wegens vermeende schijn van partijdigheid, omdat de rechter een zittingsdatum had vastgesteld in een kort geding tegen de Rabobank. Verzoeker stelde dat hierdoor de wederpartij de gelegenheid kreeg om verweer te voeren in een zaak waarin volgens hem de Rabobank onrechtmatig had gehandeld.

De rechter gaf aan geen enkele bemoeienis met de zaak te hebben gehad, niet betrokken te zijn bij de planning en het dossier nog niet te hebben ingezien. De wrakingskamer benadrukte dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten of omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.

Omdat verzoeker geen feiten of omstandigheden aandroeg die de onpartijdigheid van de rechter aantasten, en het vaststellen van een zittingsdatum op zichzelf geen schijn van partijdigheid creëert, werd het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer deed de uitspraak op 23 mei 2016 en motiveerde deze schriftelijk op 30 mei 2016.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens ontbreken van concrete feiten die onpartijdigheid aantonen.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Wrakingskamer
Zaaknummer: KG RK 16-444
Beschikking van 23 mei 2016
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] , verzoeker tot wraking,
tegen
mr. [de rechter], in haar hoedanigheid van kantonrechter,
hierna: de rechter.

1.De procedure

1.1
Bij brief van 2 mei 2016 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter. Bij emailberichten van 18, 20, 21 en 23 mei 2016 heeft verzoeker, ter nadere onderbouwing van zijn wrakingsverzoek, nadere stukken ingediend.
1.2
De rechter heeft op 9 mei 2016 te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en op 12 mei 2016 schriftelijk haar zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet.
1.3
De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking behandeld ter zitting van
23 mei 2016. Verzoeker is verschenen. De rechter is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
1.4
Na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer het onderzoek ter zitting gesloten, vervolgens meteen mondeling uitspraak gedaan en daarbij het verzoek tot wraking afgewezen. De overwegingen waarop deze beslissing stoelt, worden in deze beschikking op schrift uitgewerkt.

2.Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt, omdat de rechter in een geschil tussen verzoeker en de Rabobank de zitting voor een kort geding heeft bepaald op 19 mei 2016. Daarmee heeft de rechter de wederpartij (Rabobank) de gelegenheid geboden om verweer te voeren in een zaak waarin volgens verzoeker bewezen is dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met de wet. In dit verband heeft verzoeker gewezen op een eerder door hem bij deze rechtbank ingediend wrakingsverzoek, waaraan dezelfde wrakingsgronden ten grondslag waren gelegd. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker toegelicht dat hij met zijn wrakingsverzoek tijd heeft willen kopen en dat daarvan hoge attentiewaarde uitgaat.

3.De beoordeling

3.1
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996, 484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de wrakingskamer het volgende.
3.2
Door verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd, die betrekking hebben op de persoon van de rechter. Zoals de rechter in haar verweer heeft toegelicht heeft zij geen enkele bemoeienis gehad met de zaak. Zij is niet bij het plannen van de zaak betrokken geweest en heeft het dossier nog niet gezien. Uit het feit dat een zittingsdatum is bepaald kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een schijn van partijdigheid. De overige ter zitting naar voren gebrachte argumenten leveren naar hun aard geen grond voor wraking op.
3.3
Gelet op het voorgaande dient het verzoek tot wraking te worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Mei, voorzitter, en mrs. L. van Gijn en F.J.H. Hovens, rechters, en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier
mr. R. Barzilay uitgesproken op 23 mei 2016. De motivering is op schrift gesteld op 30 mei 2016. Bij afwezigheid van de voorzitter is de beslissing ondertekend door de oudste rechter.
de griffier de rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.