ECLI:NL:RBGEL:2016:3133
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewijsopdracht en bevoegdheid tot verwijdering haag in burenruzie
In deze civiele zaak tussen buren staat de bevoegdheid van eiser tot het vorderen van verwijdering van een haag en de uitleg van de bewijsopdracht centraal. De rechtbank bespreekt een tussenvonnis en een daaropvolgende discussie over de interpretatie van artikel 5:50 lid 1 BW Pro, dat betrekking heeft op het uitzicht vanuit ramen op het erf van de buren.
De rechtbank stelt vast dat de struiken die het zicht vanuit de schuur/garage belemmerden, door de gedaagde zijn geplaatst en verwijderd, niet door de eiser. Hoewel de eiser in het verleden de aanwezigheid van de struiken heeft geaccepteerd, is hij thans gerechtigd de verwijdering te vorderen zonder dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Tevens is onduidelijk of de ramen daadwerkelijk uitzicht boden op het erf van de gedaagde gedurende de relevante periode, hetgeen van belang is voor de toepasselijkheid van artikel 5:50 BW Pro.
De bewijsopdracht met betrekking tot de ramen is volgens de rechtbank te beperkt uitgelegd, omdat het niet duidelijk is of het uitzicht daadwerkelijk aanwezig was. De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor nadere aktewisseling, waarbij partijen zich kunnen uitlaten over dit punt en eventueel het getuigenverhoor kunnen heropenen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden en verwezen voor nadere aktewisseling over de bewijsopdracht en bevoegdheid tot verwijdering haag.