ECLI:NL:RBGEL:2015:782

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2015
Publicatiedatum
10 februari 2015
Zaaknummer
05/860525-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf voor verduistering in dienstbetrekking

De rechtbank Gelderland heeft op 10 februari 2015 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verduistering van ongeveer €75.000 uit hoofde van zijn functie als controller bij de benadeelde partij. De rechtbank achtte het bedrag van €75.000 onvoldoende onderbouwd en stelde het bewezen fraudebedrag vast op €62.000, verspreid over de jaren 2009 tot en met 2013.

Tijdens de zitting op 27 januari 2015 verscheen verdachte, bijgestaan door zijn advocaat. De officier van justitie eiste een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 180 uur. De rechtbank vond dit passend gezien de ernst van het feit, het langdurige karakter van de verduistering, de financiële schade en het vertrouwen dat verdachte had beschaamd.

Verdachte had een blanco strafblad en had een terugbetalingsregeling getroffen, wat meewoog in zijn voordeel. De civiele vordering van de benadeelde partij werd deels niet-ontvankelijk verklaard omdat een deel van de schade onvoldoende was onderbouwd en een schikking van €87.500 reeds was getroffen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot de opgelegde straffen en bepaalde dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit wordt gepleegd. De werkstraf moet binnen één jaar na onherroepelijkheid van het vonnis worden voltooid, met vervangende hechtenis van 90 dagen bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en 180 uur werkstraf wegens verduistering van €62.000.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Promis II
Parketnummer : 05/860525-14
Datum zitting : 27 januari 2015
Datum uitspraak : 10 februari 2015
TEGENSPRAAK
Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
naam :
[verdachte]
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]
adres : [adres]
plaats : [woonplaats]
raadsvrouw : mr. J.E. Kremer, advocaat te Nijmegen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 t/m 29 januari 2014 te
Nijmegen en/of in de gemeente Overbetuwe, in elk geval in Nederland,
opzettelijk een bedrag van ongeveer 75.000 euro, in elk geval enig groot
geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan het [benadeelde]
, in elk geval aan een ander of anderen dan aan
verdachte, en welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke
dienstbetrekking van/als controller in dienst van het [benadeelde]
, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich
had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 27 januari 2015 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J.E. Kremer, advocaat te Nijmegen.
Als benadeelde heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde]
De officier van justitie, mr. J.F. Menke, heeft gerekwireerd.
Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.
3. De beslissing inzake het bewijs [1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde Pro lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene], namens [benadeelde], p. 3-5;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2015;
- een rapport van [deskundige], p. 46-53.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde bedrag van € 75.000,- heeft verduisterd, nu dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wordt onderbouwd in de aangifte. De rechtbank zal daarom uitgaan van de bedragen die zijn genoemd dan wel bevestigd door verdachte in zijn gesprek met medewerkers van [deskundige], opgetekend in eerdergenoemd rapport. Dit betreft bedragen van 14.500 euro in 2013 [2] , 20.000 euro in 2012 [3] , 7.500 euro in Arnhem en 8.000 euro in Nijmegen in 2011 [4] , 6.000 in 2010 en 6.000 in 2009 [5] . Opgeteld levert dit een fraudebedrag op van € 62.000,-.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:
1.
hij in de periode van 1 januari 2009 t/m 29 januari 2014 te Nijmegen en in de gemeente Overbetuwe, opzettelijk een bedrag van 62.000 euro, toebehorende aan het [benadeelde], welk geldbedrag verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke
dienstbetrekking van controller in dienst van het [benadeelde] onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft
Het feit is strafbaar.

5.De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6.De motivering van de sanctie(s)

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en voorts tot het verrichten van 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:
- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 5 december 2014.
De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.
Verdachte heeft over een langere periode meer dan 60.000 euro van zijn werkgever verduisterd. Van het verduisterde geld kocht verdachte onder meer luxe-artikelen en ging hij op vakantie. Verdachte heeft het vertrouwen van zijn werkgever in ernstige mate beschaamd en daarbij die werkgever forse financiële schade bezorgd. Daarbij had hij slechts oog voor zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf, zoals geëist door de officier van justitie, op zijn plaats. In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij een blanco strafblad heeft en dat hij een terugbetalingsregeling heeft getroffen.
6A. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 56.712,46.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van
€ 6.712,46, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie gaat daarbij uit van het fraudebedrag op de tenlastelegging, hetgeen € 50.000,- lager is dan het op de vordering onder post 1 genoemde bedrag.
De verdediging is van mening dat de vordering een onevenredige belasting van het rechtsgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank is bij haar bewezenverklaring uitgegaan van een fraudebedrag van € 62.000,-.
Behalve dit fraudebedrag bestaat de vordering uit de posten [deskundige]
€ 9.650,00, [bedrijf 1] € 6.180,00 en [bedrijf 2] € 3.382,46. Bij elkaar opgeteld is het schadebedrag derhalve € 81.212,46. Nu door verdachte en benadeelde een schikking is getroffen voor een bedrag van € 87.500,00, is bij betaling van de schikking die schade vergoed.
Voor zover het [benadeelde] stelt meer schade te hebben geleden, is die schade op het eerste gezicht onvoldoende onderbouwd. Onderzoek van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het rechtsgeding op. De rechtbank verklaart het [benadeelde] daarom niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering.

7.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot
A.
een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.
het verrichten van een werkstraf gedurende 180 (eenhonderdentachtig) uren.
Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.
De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.
Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.
Stelt deze vervangende hechtenis vast op 90 (negentig) dagen.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde].
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Aldus gewezen door:
mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. K.A.M. van Hoof en mr. H.G. Eskes, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2015.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Gelderland-Midden, Rivierenland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL079A-2014012987 gesloten op 27 februari 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Rapport [deskundige], p. 49.
3.Ibidem, p. 50.
4.Ibidem.
5.Ibidem, p. 51.