ECLI:NL:RBGEL:2015:7762

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 december 2015
Publicatiedatum
14 december 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3605
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6 Subsidieverordening Stedelijke Vernieuwing 2011Art. 2.1.1 Subsidieverordening Stedelijke Vernieuwing 2011
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag wegens te late indiening en reeds aangevangen werkzaamheden

Eiser, eigenaar van monumentale panden in Nijmegen, vroeg subsidie aan voor schilder- en restauratiewerkzaamheden die in het najaar van 2013 waren begonnen. De gemeente weigerde de subsidie omdat de aanvraag pas op 9 december 2014 werd ingediend, terwijl de werkzaamheden al waren gestart. Volgens artikel 3.6 van de Subsidieverordening Stedelijke Vernieuwing 2011 mag subsidie niet worden verleend als werkzaamheden zijn aangevangen voordat een aanvraag is ingediend en een besluit is genomen.

Eiser stelde dat hij niet op de hoogte was van de verplichting vooraf subsidie aan te vragen en dat de werkzaamheden niet konden worden stopgezet. Ook betwistte hij dat het om achterstallig onderhoud ging, maar om restauratie. De rechtbank oordeelde dat de Subsidieverordening duidelijk voorschrijft dat subsidie vooraf moet worden aangevraagd en dat de aanvraag op het vereiste formulier moet zijn ingediend met alle bijlagen.

De rechtbank verwierp het beroep van eiser omdat de aanvraag te laat was en de werkzaamheden al waren begonnen. Het verschil tussen restauratie en achterstallig onderhoud deed niet ter zake. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de subsidieaanvraag te laat is ingediend en de werkzaamheden al waren aangevangen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 15/3605

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot toekenning van subsidie afgewezen.
Bij besluit van 13 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2015. Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.W.C. Vermeulen.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van vier monumentale panden in Nijmegen. Tijdens schilderwerkzaamheden in het najaar van 2013 bleek dat het balkonhek en de koekoek van één van de panden waren aangetast door houtrot. Eiser heeft voor de kosten van deze werkzaamheden subsidie aangevraagd.
2. Verweerder heeft aan de gehandhaafde afwijzing ten grondslag gelegd dat er ingevolge artikel 3.6, onder punt vier, van de Subsidieverordening Stedelijke vernieuwing 2011 (hierna: Subsidieverordening) geen subsidie zal worden verleend als met het uitvoeren van de werkzaamheden is begonnen voordat verweerder een besluit tot het verlenen van subsidie heeft genomen. Eiser heeft op 9 december 2014 een aanvraag ingediend voor subsidie voor onder meer de panden [adres] . Alle werkzaamheden aan de betreffende panden waren toen al reeds uitgevoerd. Het is eisers eigen verantwoordelijkheid om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat een medewerker van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) heeft meegedeeld dat het budget voor de subsidie op was doet hier niet aan af.
3. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor subsidie. Dat vooraf subsidie moest worden aangevraagd was hem niet bekend. Bovendien waren de werkzaamheden al gestart op het moment dat bleek dat er restauratiewerkzaamheden moesten worden uitgevoerd en konden de werkzaamheden niet meer worden stopgezet. Volgens eiser stelt verweerder ten onrechte dat er sprake is achterstallig onderhoud; de werkzaamheden zijn gericht op de restauratie van de panden.
4. Ingevolge artikel 3.6, aanhef en onder 4, van de Subsidieverordening verlenen burgemeester en wethouders geen subsidie indien en voor zover met het treffen van de voorzieningen of het uitvoeren van de werkzaamheden is begonnen voordat door burgemeester en wethouders een besluit tot verlenen van subsidie is genomen, tenzij hiervoor door burgemeester en wethouders vooraf schriftelijk toestemming is verleend.
5. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de Subsidieverordening op 6 april 2011 gepubliceerd is en voor een ieder toegankelijk is via de site van de gemeente Nijmegen. Nu met zoveel woorden uit artikel 3.6, aanhef en onder 4, van de Subsidieverordening volgt dat de subsidie vooraf moet worden aangevraagd en er eerst op de aanvraag moet zijn besloten voordat er gestart kan worden met de werkzaamheden volgt de rechtbank niet het standpunt van eiser dat niet bekend of inzichtelijk was dat vooraf subsidie moest worden aangevraagd .
6. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat de werkzaamheden in het najaar van 2013 zijn aangevangen. Voor zover eiser stelt dat hij begin januari 2014 telefonisch een aanvraag heeft ingediend, volgt de rechtbank dit niet nu eiser heeft dit niet onderbouwd, nog daargelaten dat volgens artikel 2.1.1, aanhef en onder a van de Subsidieverordening onder aanvraag moet worden verstaan een aanvraag van subsidie, middels een door burgemeester en wethouders vastgesteld aanvraagformulier dat volledig is ingevuld en is voorzien van alle noodzakelijke bijlagen. Hoe dan ook waren de werkzaamheden in januari 2014 al aangevangen zodat ook dan heeft te gelden dat de aanvraag te laat is ingediend. Verweerder was niet bevoegd om op dit punt een uitzondering te maken. Artikel 3.6, aanhef en onder 4, van de Subsidieverordening schrijft immers dwingend voor dat de subsidie niet mag worden verleend als de werkzaamheden al zijn aangevangen voordat een aanvraag is ingediend en een besluit is genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. De vraag of sprake is van restauratiewerkzaamheden of van het verhelpen van achterstallig onderhoud, doet aan dat oordeel niet af, omdat de aanvraag in beide gevallen te laat is ingediend.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, voorzitter, mr. J.J. Penning en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.