Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
2.De feiten en het geschil in de hoofdzaak en in het incident
3.De beoordeling van het geschil
4.De beslissing
16 december 2015voor het nemen van een conclusie door [gedaagde] ,
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een voegingsincident in een civiele procedure tussen een vennootschap onder firma (VOF) en de gemeente Nijmegen over een bouwcontract voor herontwikkeling van een locatie te Nijmegen. De VOF vordert betaling van een bedrag van ruim 8 miljoen euro wegens opeisbare bouwtermijnen, meerwerk en erkende wijzigingsverzoeken, terwijl de gemeente zich beroept op opschorting wegens een contractuele boete en gebreken aan het werk.
In het incident verzoekt een onderaannemer, die werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties heeft uitgevoerd, zich te mogen voegen aan de zijde van de VOF. De onderaannemer stelt dat zij financieel nadeel ondervindt doordat de VOF betalingen aan haar opschort vanwege het geschil tussen VOF en gemeente.
De rechtbank oordeelt dat de onderaannemer voldoende belang heeft bij voeging omdat haar rechtspositie negatief wordt beïnvloed door de uitkomst van de hoofdzaak. De gemeente betwist niet dat de onderaannemer werkzaamheden heeft verricht en dat er discussie is over gebreken en betaling. Er is geen reden om voeging te weigeren op grond van de procesorde.
De rechtbank staat de voeging toe, veroordeelt de gemeente in de proceskosten van de onderaannemer en compenseert de kosten tussen onderaannemer en VOF. De hoofdzaak wordt aangehouden voor het nemen van een conclusie door de onderaannemer.
Uitkomst: De rechtbank staat de voeging van de onderaannemer aan de zijde van de eiseres toe en veroordeelt de gemeente in de proceskosten.