ECLI:NL:RBGEL:2015:7076

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 november 2015
Publicatiedatum
16 november 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1164
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 3 Wet BPMArt. 9 lid 4 Wet BPMArt. 9 lid 8 Wet BPMArt. 9 lid 9 Wet BPMArt. 13bis lid 8 Wet LB
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Grondslag loonheffing privégebruik auto gebaseerd op catalogusprijs volgens Wet BPM

Eiseres, een BV, stelde een werknemer een BMW ter beschikking voor privégebruik en voerde bij de loonheffing een lagere prijs dan de cataloguswaarde als grondslag op. De inspecteur wees dit af en hanteerde de catalogusprijs van € 55.624. De rechtbank oordeelde dat de Wet BPM de catalogusprijs objectief vastlegt als de prijs die door fabrikant of importeur aan dealers wordt gecommuniceerd, ongeacht lagere verkoopprijzen door dealers.

Eiseres stelde dat de lagere consumentenprijs van circa € 47.635, inclusief BTW en BPM minus afleverkosten, moest gelden omdat meerdere auto's tegen die prijs werden aangeboden. De rechtbank verwierp dit en verwees naar jurisprudentie die bevestigt dat actiemodellen of lagere verkoopprijzen niet leiden tot een afwijking van de catalogusprijs.

De rechtbank concludeerde dat de wettelijke bepalingen en wetsgeschiedenis duidelijk maken dat de catalogusprijs leidend is voor de loonheffing en dat de lagere prijs niet relevant is. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de loonheffing op basis van een lagere consumentenprijs wordt ongegrond verklaard; de catalogusprijs geldt als grondslag.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 15/1164

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 november 2015

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft met dagtekening 17 oktober 2014 bezwaar ingediend tegen de op 3 oktober 2014 door haar afgedragen loonheffing over het tijdvak september 2014 ad € 558.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 januari 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 februari 2015, ontvangen door de rechtbank op 27 februari 2015, beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015.
Namens eiseres is verschenen mr. [gemachtigde] . Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft de heer [gemachtigde] , als enig werknemer voor eiseres, een personenauto mede voor privégebruik ter beschikking gesteld. Het betreft een BMW [A] met kenteken [0-AAA-11] . De auto is op [2014] op naam gesteld. Deze auto is geleverd in metallic lak en is naast de standaard opties uitgerust met onder andere een automatische transmissie, het M Sportpakket en het Executive pakket.
2. In de tussen de dealer en eiseres gesloten koopovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
BMW [A] (Consumentenprijs) € 47.899,00
Subtotaal kleur, bekleding en opties € 12.273,00
Subtotaal accessoires (Consumentenprijs) Afleverklaar maken nieuw € 1.215,00
Subtotaal wettelijke bijdragen en diversen
€ 90,00
Subtotaal exclusief BTW/BPM € 45.087,32
Korting
€ 10.435,00 -
Nettoprijs exclusief BTW/BPM € 34.652,32
BTW 21 % over 34.607,32 € 7.267,54
BPM
€ 6.930,00
Consumentenprijs inclusief BTW/BPM € 48.850,00
3. De cataloguswaarde van deze auto is volgens de site van de RDW € 55.624.
Geschil
4. In geschil is de grondslag voor de berekening van de loonheffing wegens het privégebruik van de auto. Bij aangifte is eiseres uitgegaan van € 55.624 als grondslag, maar zij bepleit in beroep € 47.635, zijnde de consumentenprijs inclusief BTW/BPM minus de kosten afleverklaar maken ad € 1.215, zoals in de koopovereenkomst is vermeld. Verweerder wijst erop dat de optelling, indien juist uitgevoerd, uitkomt op € 60.127. Voorts betoogt verweerder dat de werkelijk betaalde prijs niet relevant is en dat de catalogusprijs € 55.624 bedraagt.
Beoordeling van het geschil
5. Artikel 13bis, achtste lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna Wet LB) luidt als volgt:
"Voor toepassing van dit artikel wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs in de zin van artikel 9 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwielen als gevolg van de artikelen 9 tot en met 9c van de genoemde wet."
6. Artikel 9, derde lid, van de Wet belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) luidt als volgt:
"Onder de netto catalogusprijs wordt verstaan de catalogusprijs verminderd met de daarin begrepen omzetbelasting."
7. Artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM luidt als volgt:
"Onder catalogusprijs wordt verstaan de in Nederland door de fabrikant of importeur aan wederverkopers kenbaar gemaakte prijs welke naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. In die geadviseerde verkoopprijs is de belasting van personenauto’s en motorrijwielen zelf niet begrepen. Is een zodanige prijs niet bekend, dan wordt hij door vergelijking bepaald."
8. Artikel 9, negende lid, van de Wet BPM luidt als volgt:
"Wanneer een personenauto een bijzondere uitvoering heeft, of is voorzien van extra toebehoren, wordt de waarde daarvan in de catalogusprijs begrepen, uitgezonderd de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of importeur."
9. Eiseres stelt dat de te hanteren catalogusprijs moet worden gesteld op de aanbiedingsprijs van de dealer, omdat het volgens de wettekst van artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM gaat om de prijs die volgens de dealer naar zijn inzicht bij verkoop aan de uiteindelijke afnemer valt te berekenen. Eiseres meent dat het verschil tussen de werkelijk door haar betaalde prijs voor de auto en de officiële cataloguswaarde zo groot is dat dit in de weg staat aan toepassing van artikel 9 van Pro de Wet BPM. Eiseres stelt dat moet worden uitgegaan van een prijs van € 47.635. Volgens eiseres zijn ongeveer twintig personenauto’s van hetzelfde type tegen deze prijs voor willekeurige derden verkrijgbaar geweest. Het betreft volgens haar dus niet een incidentele transactie.
10. De rechtbank volgt eiseres niet in deze redenering en verwijst hiervoor naar overweging 4.8 van de uitspraak van Gerechtshof Leeuwarden van 3 januari 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BV0218). Deze overweging luidt als volgt:
"De wetgever heeft er echter voor gekozen de catalogusprijs voor de toepassing van de Wet BPM te objectiveren. Hiermee heeft de wetgever kennelijk willen uitsluiten dat mogelijke waardeveranderingen van een te registreren auto ten opzichte van de catalogusprijs tot het oordeel kunnen leiden dat de catalogusprijs niet meer de prijs als bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM zou zijn."
11. Anders dan eiseres meent, is in artikel 9, vierde lid, van de Wet BPM niet iets anders bedoeld dan door het Gerechtshof Leeuwarden in de hiervoor vermelde uitspraak op grond van de wetsgeschiedenis is geoordeeld. Doorslaggevend is de catalogusprijs die door de fabrikant of importeur aan de dealers is bekendgemaakt en waarvan aannemelijk is dat deze in dit geval € 55.624 bedraagt. Niet relevant is of de dealer de auto goedkoop heeft kunnen inkopen of deze om andere reden (en al dan niet met meerdere tegelijk) voor een lager bedrag te koop aanbiedt aan consumenten.
12. Voorts is vaste rechtspraak dat actiemodellen niet kunnen worden aangemerkt als afzonderlijke categorie waarvoor een afzonderlijke catalogusprijs kan worden gehanteerd (vgl. Gerechtshof Amsterdam 16 mei 2013, nr. 12/00098, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1702 en Rechtbank Haarlem 15 december 2011, nr. 09/3027, ECLI:NL:RBHAA:2011:BV0012).
13. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 november 2015
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.