ECLI:NL:RBGEL:2015:3883

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 april 2015
Publicatiedatum
15 juni 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4188verzet
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inkomstenbelasting 2010

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak waarbij haar bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2010 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift. De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2014 niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn was ingediend en er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet ingesteld en aangevoerd dat sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat zij zich persoonlijk wilde verweren tegen de ambtshalve aanslag. De rechtbank heeft het verzet behandeld zonder zitting, waarbij opposante en de inspecteur niet zijn verschenen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was en dat er geen reden is om het eerdere oordeel te herzien. Ook het feit dat opposante aanvullende informatie had verstrekt en dat er een klachtenprocedure tegen de ambtenaar liep, leidt niet tot een ander oordeel. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 14/4188

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 april 2015

in de zaak tussen

[X], te [Z], opposante,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

Behandeling van het verzet

Bij uitspraak van 30 september 2014 heeft de rechtbank het beroep van opposante (met bovengenoemd procedurenummer) met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 15 oktober 2014, door de rechtbank ontvangen op 16 oktober 2014, heeft opposante tegen deze uitspraak verzet gedaan als bedoeld in artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.
Opposante is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord.
De rechtbank heeft het verzet behandeld ter zitting van 27 januari 2015.
Opposante en verweerder zijn met kennisgeving aan de rechtbank niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten en gronden van het verzet

1. Opposante heeft op 24 juni 2014, via het digitale loket, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 22 januari 2014, waarbij het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [000].H.06) voor het jaar 2010 niet-ontvankelijk is verklaard.
2. De rechtbank heeft bij brief van 25 juli 2014 opposante in de gelegenheid gesteld binnen twee weken schriftelijk te laten weten waarom het beroep na afloop van de beroepstermijn is ingediend. Tevens heeft de rechtbank aangegeven dat, indien de rechtbank van oordeel is dat opposante zonder geldige reden het beroep te laat heeft ingediend of als opposante niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek voldoet, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Opposante heeft hierop gereageerd bij brief van 31 juli 2014.
3. Op 30 september 2014 heeft de rechtbank op de voet van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak gedaan. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb.
4. Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.

Beoordeling van het verzet

5. In deze verzetprocedure dient enkel de vraag te worden beantwoord of de rechtbank zonder zitting de uitspraak heeft kunnen doen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was, dat wil zeggen zonder dat daarover in redelijkheid twijfel mogelijk was. Hierbij zal de rechtbank rekening houden met de gronden die in verzet zijn aangevoerd.
6. In verzet heeft opposante bij brief van 15 oktober 2014 redenen aangevoerd waarom in haar ogen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Opposante heeft aangevoerd dat zij in beroep in de gelegenheid dient te worden gesteld zich persoonlijk te verweren tegen de ambtshalve aanslag.
7. Het besluit om het bezwaar van opposante niet-ontvankelijk te verklaren is gedagtekend op 22 januari 2014. De beroepstermijn eindigde dientengevolge op 5 maart 2014. Het beroepschrift is op 24 juni 2014 door de rechtbank ontvangen. Het beroepschrift is dus, gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.
8. In hetgeen door opposante is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan is gedaan in de uitspraak van 30 september 2014. Uit de brief van opposante aan de rechtbank van 31 juli 2014 blijkt dat opposante op 20 januari 2014 aanvullende informatie aan verweerder heeft verstrekt. Uit het feit dat verweerder bij brief van 22 januari 2014 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, leidt de rechtbank af dat de correspondentie elkaar heeft gekruist. De rechtbank ziet hierin evenwel geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook in het aanhangig zijn van een klachtenprocedure jegens de controlerende ambtenaar ziet de rechtbank geen aanleiding anders te beslissen.
9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een kennelijk niet-ontvankelijk beroep in de zin van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, zodat de rechtbank terecht tot sluiting van het onderzoek is overgegaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 april 2015
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het beroep in cassatie.