Eiser, een ambtenaar van Defensie, kreeg wachtgeld toegekend tot 1 mei 2022, de datum waarop hij 65 jaar zou worden. Verweerder beëindigde het wachtgeld op die datum, wat eiser aanvocht als verboden leeftijdsonderscheid. De rechtbank oordeelde dat het onderscheid op grond van leeftijd niet objectief gerechtvaardigd is, mede gelet op het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens en het arrest van het HvJEU in de zaak Dansk Jurist- og Økonomforbund.
De rechtbank stelde vast dat het beëindigen van wachtgeld op 65 jaar leidt tot een inkomstenterugval, aangezien ambtenaren na 65 jaar geen wachtgeld of AOW ontvangen vanwege de verhoging van de AOW-leeftijd. Dit onderscheid is in strijd met de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij Arbeid (Wgbla), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de Grondwet.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit voor zover het de einddatum betreft. Het wachtgeld wordt nu beëindigd bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd conform artikel 7a, eerste lid, van de AOW. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.