2tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht een en ander zoals verwoord in haar overgelegde schriftelijk requisitoir.
Standpunt van de verdachte / de verdediging
De verdachte ontkent de aan hem ten laste gelegde feiten.
De raadsman heeft, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in het dossier geen bewijs voorhanden is dat verdachte het mes in het hoofd van aangeefster heeft gestoken. Niet eens kan worden bewezen dat verdachte het mes in zijn handen heeft gehad. De in de dossier aanwezige stukken wijzen op een scenario dat door de val het mes, dat aangeefster vasthad, in haar hoofd is terechtgekomen.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard nu niet duidelijk is op welk moment of welke momenten de tenlastelegging doelt. De raadsman heeft subsidiair vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde nu er geen wettig bewijs voorhanden is dat verdachte aangeefster heeft geslagen. De verklaring van aangeefster moet als niet gegarandeerd betrouwbaar ter zijde worden geschoven nu die verklaring onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De eerste 112-melding en het letsel op haar linkerwang zijn onvoldoende overtuigend om in dezen als steunbewijs te dienen.
Beoordeling door de rechtbank
Nietigheidsverweer feit 2
Met betrekking tot het nietigheidsverweer voor wat betreft feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de inhoud van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Gelet op de inhoud van het dossier acht de rechtbank de dagvaarding voldoende duidelijk qua tijdsbepaling. Het nietigheidsverweer zal dan ook worden verworpen.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat, waarbij elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen – slechts is gebruikt ten aanzien van feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feiten 1 en 2
Op 19 november 2013 te 22:03:43 uur werd door aangeefster [slachtoffer] een telefonische melding gedaan aan de meldkamer Oost-Nederland. Het gesprek duurde tot 22:07:08 uur. Op dat moment werd de verbinding verbroken. In het gesprek heeft aangeefster gezegd: “My husband hit me. Can you come?” en “He says he kills me right now.” De vrouw woonde op het adres [adres] te Apeldoorn.
Op 19 november 2013 te 22:09:35 uur werd door [getuige] een telefonische melding gedaan dat haar buurvrouw door haar vriend met een mes in haar oor was gestoken en dat het mes er nog in zat. De vrouw woonde op het adres [adres] te Apeldoorn.
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten op 19 november 2013 om 22:14 uur in de woning aan de [adres] in Apeldoorn waren. In de deuropening van kamernummer 1 zagen zij een vrouw gehurkt zitten. Zij zagen dat het gezicht en de handen van de vrouw onder het bloed zaten. Aan de linkerzijde van het hoofd van de vrouw ter hoogte van haar linkeroor zagen verbalisanten een handvat van een mes. De vrouw vertelde dat haar man het mes in haar hoofd had gestoken.
Op 20 november 2013 is aangeefster [slachtoffer] door de politie gehoord en heeft zij onder meer verklaard dat verdachte haar met een mes had gestoken.
Op 28 november 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Op 28 en 29 november 2013 is zij nog meerdere keren door de politie gehoord. Zij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij de politie had gebeld omdat verdachte haar met zijn vuist op haar gezicht had geslagen.Hij sloeg haar met zijn vuist op haar linkerwang, die begon op te zwellen. Het deed haar pijn.Verdachte wilde de telefoon van aangeefster afpakken. Vervolgens gingen zij aan elkaar trekken. Aangeefster voelde pijn, werd duizelig en viel op de grond. Zij viel op haar knieën en daarna voorover op haar handen. Zij merkte dat er bloed stroomde en toen voelde zij dat zij een mes in haar linkeroor had. Het broodmes had waarschijnlijk op de koelkast in de kamer gelegen.Aangeefster heeft nog verklaard dat zij rechtshandig is en dat zij de telefoon in haar rechterhand heeft vastgehad toen zij de politie heeft gebeld.
Uit de geneeskundige verklaring van 20 november 2013 blijkt dat het volgende uitwendig letsel bij aangeefster werd waargenomen, te weten bloed in de mond, mes in het linkeroor, snijwond boven op linker thorax helft en verminderde gevoeligheid van de linker gezichtshelft. In de nacht van 19 op 20 november 2013 werd aangeefster geopereerd en het mes werd verwijderd.
Op 29 november 2013 heeft aangeefster [slachtoffer] heeft ten aanzien van haar letsel nog
– zakelijk weergegeven – verklaard dat zij die dag in het ziekenhuis was geweest. De arts had verteld dat het mes met grote kracht was ingebracht en het bot had doorboord. Zij zal niet meer kunnen horen met haar linkeroor. Een van haar twee pezen in haar wijsvinger was doorgesneden. Hierdoor kon zij haar wijsvinger niet goed gebruiken. Daarom was een operatie noodzakelijk. De artsen hadden verteld dat binnen veertien dagen na het toebrengen van het letsel de pees in haar wijsvinger aan haar linkerhand zou moeten worden gehecht. En daarna zou fysiotherapie moeten worden gevolgd. Het herstel zou ongeveer drie maanden duren.
Uit het letselrapport van GGD, Noord- en Oost-Gelderland van 26 januari 2014 met betrekking tot aangeefster blijkt dat er geen letsel is opgegeven bij hals, rug, buik en rechterarm. Er was wel letsel van het hoofd, borst, linkerarm, linkerhand en benen. Op de linkerwang zat een lijnvormige bruinrode verkleuring, horizontaal verlopend vanaf de mondhoek in de richting van het oor met een lengte van ongeveer 6 cm, gelijkend op een genezen krasverwonding. Op de linkerwang zat tevens een geelgroene huidverkleuring van 2,5 x 5 cm. Op de huid net boven de linkerschouder was een boogvormige huidverwonding met korstvorming zichtbaar met verkleuringen, gelijkend op een bloeduitstorting. Op de linkerschouder/bovenarm zat een wat onregelmatig gevormde onscherp begrensde geelgroene huidverkleuring ongeveer 6 cm x 6 cm passend bij een bloeduitstorting. Aan de binnenzijde van de wijsvinger van de linkerhand, op het eerste kootje na de middenhand, was een streepvormige diagonaal verlopende huidverwonding zichtbaar met een lengte van ongeveer 9 mm, gelijkend op een snijverwonding. Twee oppervlakkige verwondingen waren zichtbaar aan de binnenzijde van de middelvinger van de linkerhand. Aan de handrug van de linkerhand was een paarsgeelgroene huidverkleuring zichtbaar passend bij een bloeduitstorting. Op de knieën waren geelgroenpaarse verkleuringen van de huid zichtbaar, passend bij bloeduitstortingen. Op de rechterknie wat meer uitgesproken dan links.
Verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in de avond van 19 november 2013 drie of vier biertjes had gedronken.Er ontstond een woordenwisseling tussen hem en aangeefster. Aangeefster belde de politie en verdachte heeft geprobeerd de telefoon uit haar handen te rukken, omdat hij niet wilde dat de politie zou komen.Op de koelkast in de kamer lag een mes. Aangeefster pakte het mes en zij begon met het mes te zwaaien. Verdachte en aangeefster begonnen aan elkaar te trekken en te duwen, omdat verdachte het mes probeerde af te pakken van aangeefster. Verdachte werd geraakt op zijn kin. Ook heeft hij verwondingen aan zijn rechteronderarm. Verdachte pakte haar hand vast en toen strekte hij zijn rechterarm uit. Hij hield haar hand vast en terwijl hij haar vasthield, strekte hij zijn hand en toen werd zij met dat mes geraakt.Aangeefster viel en ze boog zich en viel op haar handen en voeten.
Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat aangeefster en hij aan het worstelen waren en dat hij probeerde het mes van haar af te pakken en dat zij toen is gevallen.
Uit het letselrapport van GGD, Noord- en Oost-Gelderland van 26 januari 2014 met betrekking tot verdachte blijkt dat aan de onderzijde van de kin van verdachte een licht boogvormige wond zichtbaar was met een lengte van 2,5 cm. De wondranden waren glad en weken van elkaar. Er waren tekenen van genezing. Verdachte had verder letsel op de borst, linkerarm, rechterarm en linkerbeen in de zin van huidverkleuringen, huidverwondingen en bloeduitstortingen.
Conclusie omtrent de toedracht (feit1)
Uit het voorgaande volgt dat de lezingen van verdachte en aangeefster haaks op elkaar staan.
In de lezing van aangeefster heeft verdachte haar met een mes gestoken. In de lezing van verdachte trad aangeefster hem met een mes tegemoet en is het mes door een val van aangeefster in haar hoofd terechtgekomen.
De rechtbank acht de alternatieve lezing van verdachte niet aannemelijk op basis van de zich in het dossier bevindende stukken. In tegenstelling tot de lezing van aangeefster, wordt de lezing van verdachte namelijk niet ondersteund door enig andere verklaring en/of feitelijk gegeven. Dat verdachte zelf verwondingen heeft opgelopen maakt dat niet anders. De aanwezigheid van die verwondingen zegt immers als zodanig nog niets over het tijdstip en de wijze waarop die verwondingen zijn ontstaan en/of door wie deze verwondingen zijn toegebracht.
De lezing van aangeefster daarentegen wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] die heeft verklaard dat zij een kamer bewoont in het perceel [adres] te Apeldoorn en dat zij aangeefster op 19 november 2013 in de hal had aangetroffen met een mes in haar linkeroor. Op de vraag wie dat had gedaan, had aangeefster gezegd dat haar echtgenoot dit had gedaan.De verklaring van aangeefster past naar het oordeel van de rechtbank bij een steekbeweging met een mes richting aangeefsters hoofd op een moment dat zij nog rechtop stond. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij, terwijl verdachte en zij aan elkaar aan het trekken waren, duizelig werd en toen (eerst) op haar knieën en (vervolgens) haar handen viel en pijn ervoer en merkte dat er bloed stroomde. Zij voelde toen een mes in haar linkeroor. De duizeligheid van aangeefster past bij een aantasting van haar evenwichtsorgaan door het mes in haar linkeroor. De bloeduitstortingen op de knieën van aangeefster ondersteunen tevens de verklaring van aangeefster dat zij op haar knieën viel. Dit betekent derhalve dat het mes zijwaarts, bijna horizontaal, met een krachtige beweging naar het hoofd van aangeefster moet zijn bewogen nu het mes tot op het heft in het lichaam van aangeefster is ingebracht. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat en waarom volgens de door aangeefster geciteerde arts in het ziekenhuis het mes met grote kracht moet zijn ingebracht, daargelaten dat algemene ervaringsregels een dergelijke conclusie eveneens rechtvaardigen. Het kan niet anders, dan dat een dergelijke steekbeweging opzettelijk heeft plaatsgevonden.
De stelling van de verdediging dat aangeefster door een val (met het hoofd) het mes in haar linkeroor heeft gekregen, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Volgens verdachte had aangeefster in haar
rechterhandeen mes vast. Het mes zat echter in het
linkeroorvan aangeefster, hetgeen niet te verklaren lijkt door een val (in het mes). Bovendien bevatten de verklaringen van verdachte zelf onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijk scenario.
Juridische betekenis van het gebruikte geweld
Op grond van het vorenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs voorhanden voor de aan verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag. Het met een mes in het hoofd/oor van een ander steken, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het trachten te beëindigen van het leven van een ander, dat het niet anders kan zijn dat verdachte daartoe het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan.
Conclusie ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte aangeefster een vuistslag heeft gegeven vóórdat zij de 112-melding heeft gedaan. Dit blijkt ook uit de melding van aangeefster dat haar echtgenoot haar had geslagen. Dat verdachte aangeefster heeft geslagen vindt verder bevestiging in de omstandigheid dat direct na het gebeurde een blauwe plek op de wang van aangeefster zichtbaar was.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: