Eiseres ontving bijstand als alleenstaande ouder. Verweerder trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf september 2005, omdat eiseres volgens onderzoek een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, wat zij niet had gemeld. De rechtbank stelde vast dat het huisbezoek op 11 april 2011 onrechtmatig was vanwege het ontbreken van redelijke grond en informed consent, waardoor de bevindingen van dat huisbezoek buiten beschouwing moesten blijven.
Desondanks vond de rechtbank dat de overige onderzoeksbevindingen voldoende waren om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Wwb. De rechtbank oordeelde dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden en dat verweerder bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen.
Het bestreden besluit was echter ondeugdelijk gemotiveerd omdat niet op alle bezwaargronden was ingegaan, waardoor het werd vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.