Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[naam A],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 29 januari 2014
- het proces-verbaal van comparitie van 15 april 2014.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie
NJ1993, 489). Als hoofdregel mag daarbij worden aangenomen dat ieder die een vorderingsrecht op een ander heeft, de daarmee samenhangende rechtsvordering zelfstandig mag instellen. Onder omstandigheden kan dit echter anders zijn, namelijk wanneer een afweging van de onderscheiden belangen van partijen dit meebrengt, in het licht van hetgeen zij in de gegeven situatie van elkaar mogen verlangen en verwachten. Daarbij zijn de aard van de desbetreffende rechtsverhouding[11] en van de vordering mede van betekenis. Daaromtrent is echter niets gesteld door [gedaagden]zodat reeds daarom niet valt in te zien waarom het rechtens noodzakelijk is om Rabohypotheekbank bij deze procedure te betrekken. Daarvoor is te minder reden nu niet de geldigheid van de overeenkomst als zodanig in het geding is maar een vordering tot schadevergoeding. Gevaar voor tegenstrijdigheid kan dan ook niet worden aangenomen. Geconcludeerd kan worden dat het beroep op de niet-ontvankelijkheid moet worden gepasseerd.
5.De beslissing
6 augustus 2014voor het nemen van een akte door Rabobank over hetgeen is vermeld onder 4.7 en 4.10, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,