Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2006 (aanslagnummer [000].H.67), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 521.771 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.638. Tevens is bij beschikking € 53.365 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- een aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 (aanslagnummer [000].H.76), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 576.787 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.028. Tevens is bij beschikking € 41.804 aan heffingsrente in rekening gebracht.
2.Feiten
3.Geschil
- of verweerder voor het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR);
- of de landgoedpercelen en de huiskavel na de staking van de onderneming tot het ondernemingsvermogen van eiser zijn blijven behoren;
- indien de vorige vraag ontkennend wordt beantwoord, of de opbrengsten uit de door eiser in erfpacht uitgegeven landgoedpercelen kunnen worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden;
- de waarde van de landgoedpercelen en de huiskavel.
4.Beoordeling van het geschil
5.Beslissing
- heropent het onderzoek;
- stelt partijen in de gelegenheid zich binnen
- bepaalt dat partijen daarbij tevens hun verhinderdata over de maanden april tot en met juni 2014 dienen over te leggen in verband met een nader te bepalen zitting.