ECLI:NL:RBGEL:2014:2442

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2014
Publicatiedatum
10 april 2014
Zaaknummer
05/987072-12 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs zeggenschap en voordeel

In deze zaak vorderde het openbaar ministerie dat betrokkene een bedrag van circa €155.666,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel terugbetaalt dat door een B.V. was genoten. De rechtbank heeft de ontnemingsvordering onderzocht tijdens meerdere zittingen en daarbij ook het vonnis in de hoofdzaak betrokken.

De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat betrokkene daadwerkelijk over het vermogen van de B.V. kon beschikken of dat hij voordeel heeft genoten van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er ontbrak inzicht in de financiële structuur en geldstromen van de B.V., waardoor onvoldoende duidelijkheid bestond over de zeggenschap en het mogelijke voordeel van betrokkene.

Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, dat de grondslag vormt voor ontnemingsvorderingen, heeft de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie afgewezen. Hiermee werd betrokkene niet verplicht tot betaling van het gevorderde bedrag.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 10 april 2014, waarbij betrokkene werd bijgestaan door zijn raadsman. Het vonnis benadrukt het belang van concrete bewijsvoering omtrent zeggenschap en voordeel bij toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel aan natuurlijke personen.

Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van zeggenschap en voordeel van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/987072-12 (ontneming)
Datum zitting : 5 april 2013, 18 juni 2013, 30 april 2014 en 27 maart 2014
Datum uitspraak : 10 april 2014
TEGENSPRAAK
Uitspraak van de meervoudige economische kamer inzake de ontnemingsvordering
in de zaak van
de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
naam :
[betrokkene](hierna te noemen: betrokkene)
geboren op : [geboortedatum]
adres : [adres]
plaats : [woonplaats]
raadsman : mr. D.J.P van Barneveld, advocaat te Arnhem.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 155.666,-.

2.De procedure

Ter terechtzitting van 5 april 2013 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.
Het onderzoek is vervolgens door de economische politierechter aangehouden in verband met een daartoe strekkend verzoek van raadsman mr. D.J.P. van Barneveld in de hoofdzaak. Op 18 juni 2013 is de zaak door de economische politierechter verwezen naar de meervoudige economische kamer, waarna het onderzoek op 30 januari 2014, wegens verhindering van raadsman mr. D.J.P. van Barneveld, voor bepaalde tijd is aangehouden.

3.Het onderzoek ter terechtzitting

De door de officier van justitie aanhangig gemaakte vordering is ter terechtzitting van 27 maart 2014 onderzocht. Daarbij is betrokkene verschenen. Betrokkene is bijgestaan door mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem.
De officier van justitie, mr. D. van Ieperen, heeft ter zitting de vordering aangepast en gevorderd dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 155.666,63 en dat aan veroordeelde ten aanzien van dit bedrag een betalingsverplichting wordt opgelegd.
Mr. D.J.P. van Barneveld heeft overeenkomstig een pleitnota het woord ter verdediging gevoerd.
4.a. De beoordeling van de vordering
Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 10 april 2014 tegen veroordeelde gewezen vonnis.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, Team DIE Tm TU Dier 5, met nummer 66271 en gesloten op 29 juni 2012, met bijlagen, waaronder het aanvullend proces-verbaal op het proces-verbaal met nummer 66271, documentcode APV-01.
4.b. De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De officier van justitie heeft verzocht dat de ontnemingsvordering door de rechtbank wordt toegewezen. De officier van justitie stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door de rechtspersoon [bedrijfsnaam]B.V. is genoten, kan worden toegerekend aan betrokkene. Zij heeft gesteld dat aan de criteria daarvoor is voldaan (zeggenschap, beschikkingsmacht en potentieel voordeel aan de zijde van betrokkene).
Voor de beantwoording van de vraag of een natuurlijk persoon wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit handelen van een rechtspersoon, dient te worden beoordeeld of de natuurlijke persoon volledige, dan wel in belangrijke mate, zeggenschap heeft (gehad) in de rechtspersoon, of de natuurlijke persoon over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken en of het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon. Als aan deze criteria is voldaan, kan het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de natuurlijke persoon worden toegerekend. [1]
De rechtbank is van oordeel dat, op basis van hetgeen door de officier van justitie is gesteld en onderbouwd, niet is vast te stellen dat betrokkene daadwerkelijk over het vermogen van de rechtspersoon [bedrijfsnaam]B.V. heeft kunnen beschikken, dan wel dat hij zelf voordeel heeft genoten of heeft kunnen genieten uit het wederrechtelijk verkregen voordeel. Niet duidelijk is geworden hoe de financiële verplichtingen van [bedrijfsnaam]B.V. precies lagen en welke schuldeisers c.q. bedrijfsfinanciers gerechtigd waren ten aanzien van inkomsten en/of activa van deze rechtspersoon. Inzicht in de financiële structuur en de geldstromen is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk om tot het oordeel te kunnen komen dat betrokkene daadwerkelijke, dat wil zeggen meer dan theoretische of algemene, zeggenschap had over de rechtspersoon en de besteding van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dan kan ook inzichtelijk worden of betrokkene daadwerkelijk voordeel heeft genoten of heeft kunnen genieten. Alleen als dat het geval zou zijn, is er ruimte voor het oordeel dat het door de B.V. genoten wederrechtelijk voordeel ook aan betrokkene kan worden toegerekend.
De rechtbank zal de vordering afwijzen.

5.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6.De beslissing

Wijst afde vordering van de officier van justitie.
Aldus gewezen door:
mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. G.M.L. Tomassen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2014.

Voetnoten

1.HR 6 februari 2007, JOW 2007, 12.