Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
rechtbank), samen groot circa 650 m2 te kopen.
koopaanbod
contractsvrijheid
verlenging recht van erfpacht
opzegging
recht op vergoeding
redelijkheid en billijkheid
ongerechtvaardigde verrijking
misbruik van bevoegdheid
3.Het geschil
4.De beoordeling
“.. kan de woning met de eventuele bedrijfsruimte door de grondeigenares worden overgenomen tegen de waarde vast te stellen”(enz.)), zulks in vergelijking met de akte van hervestiging van recht II uit 1966, waar in artikel 5 in Pro een desbetreffende verplichting voor de grondeigenaar is voorzien (
“De grondeigenaar zal bij het eindigen of de tenietdoening van het erfpachtsrecht verplicht zijn aan de erfpachter te vergoeden de waarde van de met zijn toestemming op de grond gestichte of alsnog met toestemming van de grondeigenaar te stichten opstallen”) pleiten tegen het in deze procedure ingenomen standpunt van [eiser]. Uit de - naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen - bewoordingen van artikel 9 volgt Pro dat op zichzelf al niet. De genoemde vergelijking maakt een aanspraak als onder 4.1 bedoeld bovendien nóg onwaarschijnlijker. Anders toch zou het voor de hand hebben gelegen om in 1971 bij de bewoordingen van de akte van 1966 aan te knopen.
“in de hier aanwezige historische context, de concrete omstandigheden van het geval en (..) in objectie[ve] zin”niet gelezen kan worden dat er wilsvrijheid voor de stichting bestaat om van waardevergoeding af te zien. [eiser] treedt daarmee echter buiten het voorgeschreven uitlegkader van de hierop toegespitste inhoud van het erfpachtrecht.
bevoegdheidvoor de grondeigenaar tot overname van die bebouwing in de akte van vestiging hebben opgenomen.
eeuwigdurendzij, dan of dezelve beperkt zij binnen een zeker getal van jaren, gelijk het tegenwoordig ontwerp voorstelt (..), verandert niets aan de
natuur der zaak;het is eene wijziging, die men nuttig heeft geoordeeld, die mij onverschillig is, maar die niet beletten zal, dat de erfpachter zich bijna
als eigenaarbeschouwe en de vernieuwing der erfpacht niet zal verhinderen, derhalve den erfpachter geen vooruitzigt zal benemen, noch de bebouwing van den grond benadeelen.