ECLI:NL:RBGEL:2014:1022

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2014
Publicatiedatum
17 februari 2014
Zaaknummer
06/580032-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Kleinrensink
  • Van Apeldoorn
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g lid 5 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf ondanks inreisverbod en niet-nakoming reclasseringsvoorwaarden

De rechtbank Gelderland heeft op 18 februari 2014 beslist over de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis waarbij veroordeelde was veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden omtrent reclasseringstoezicht.

Veroordeelde had sinds augustus 2010 onder toezicht van de reclassering gestaan, dat na een onderbreking wegens een nieuwe gevangenisstraf in februari 2012 werd hervat. Vanaf 19 september 2012 kwam veroordeelde niet meer opdagen bij afspraken en was het niet meer mogelijk contact met hem te krijgen. Vanaf 19 oktober 2012 gold een inreisverbod voor Nederland voor veroordeelde.

De rechtbank stelde vast dat het niet nakomen van de reclasseringsafspraken reeds begon vóór het inreisverbod en dat veroordeelde ook daarna geen contact zocht met de reclassering. De raadsman voerde overmacht aan vanwege het inreisverbod en stelde dat tijdsverloop de tenuitvoerlegging niet opportuun maakte, maar de rechtbank verwierp deze verweren.

De rechtbank gelastte daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van 8 maanden, waarbij tijdsverloop geen beletsel vormde omdat de proeftijd nog niet was verstreken. Een gedeeltelijke tenuitvoerlegging werd niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van 8 maanden gevangenisstraf wegens niet-nakoming van reclasseringsvoorwaarden ondanks inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/580032-09
Raadsman: mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn.
De rechtbank heeft te beslissen op de op 12 december 2013 ter griffie ingekomen vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 6 mei 2010, waarbij

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie) op 14 juni 1985,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft als bijzondere voorwaarde opgelegd dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt.
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder het rapport van de reclassering van
26 oktober 2012.
De vordering is in het openbaar behandeld op de terechtzitting van de meervoudige kamer van 4 februari 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Overwegingen

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, waaronder de toelichting op het rapport van de reclassering van [medewerker], reclasseringswerker, komt naar voren dat het reclasseringstoezicht is aangevangen in augustus 2010. Het toezicht is onderbroken omdat veroordeelde een nieuw strafbaar feit had gepleegd en in verband daarmee een gevangenisstraf van twaalf maanden heeft uitgezeten. Na zijn vrijlating in februari 2012 is het toezicht hervat. Het toezicht verliep moeizaam. Op 19 september 2012 heeft het laatste meldplichtcontact plaatsgevonden. Daarna is veroordeelde zonder tegenbericht niet meer verschenen op afspraken. Het is de reclassering daarna niet meer gelukt met veroordeelde in contact te komen. Ook is onbekend waar veroordeelde verblijft. Veroordeelde heeft vanaf 19 oktober 2012 een inreisverbod voor Nederland.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn vordering de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen. Hij heeft betoogd dat veroordeelde in januari 2014 nog in Nederland verbleef. Hij ziet het inreisverbod daarom kennelijk niet als een beletsel voor het kunnen voldoen aan de opgelegde reclasseringsverplichting.
De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit. Hij heeft betoogd dat sprake is van overmacht nu zijn cliënt als gevolg van het inreisverbod niet meer in Nederland mag zijn. Zijn verblijfsvergunning is ingetrokken. Dat hij de bijzondere voorwaarden niet is nagekomen, kan hem daarom mogelijk niet worden toegerekend. Volgens de raadsman is het door het tijdsverloop ook niet meer opportuun om de vordering toe te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.
De rechtbank stelt vast dat, gezien het rapport van de reclassering en de toelichting van [medewerker] ter terechtzitting, veroordeelde de hem opgelegde bijzondere voorwaarde om zich te houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering vanaf 19 september 2012 niet heeft nageleefd. De rechtbank stelt verder vast dat deze datum ligt voor de datum waarop de beslissing is genomen dat voor veroordeelde een inreisverbod geldt, te weten
19 oktober 2012. Veroordeelde heeft na 19 oktober 2012 ook geen (telefonisch) contact gezocht met de reclassering om in overleg te treden over het nakomen van de voorwaarden in relatie tot het inreisverbod.
Geconcludeerd moet dan ook worden dat veroordeelde reeds voor het inreisverbod simpelweg niets meer van zich heeft laten horen. Nu veroordeelde de hem opgelegde voorwaarde van reclasseringstoezicht niet is nagekomen en het niet nakomen van de voorwaarde los staat van het inreisverbod ziet de rechtbank aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. Dat sprake is van tijdsverloop is op zichzelf juist, maar staat niet aan tenuitvoerlegging in de weg. Tijdsverloop wordt in procedures als deze immers in beginsel begrensd door het bepaalde in artikel 14g vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering, het verstrijken van de proeftijd. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. Voor een gedeeltelijke tenuitvoerlegging ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 6 mei 2010, te weten
8 (acht) maanden gevangenisstraf.
Deze beslissing is gegeven door mr. Kleinrensink, voorzitter, mrs. Van Apeldoorn en Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2014.