Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[gedaagde sub 1],
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 3 april 2013
- het verkort proces-verbaal van comparitie van 6 juni 2013.
2.De feiten in conventie en reconventie
binnen zeven (7) dagen na dagtekening dezeste bevestigen dat uw cliënte deze aansprakelijkheid erkent.
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie
een bedrag van € 6.876,35 door de curator in ontvangst(is)
genomen”en dat “
dit kasgeld door de curator(is)
afgestort op de boedelrekening”, dateert van 6 januari 2012, terwijl de afrekening met de curator is gemaakt in augustus 2011. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat Deutsche Bank in augustus 2011 al op de hoogte was van bedoelde contante betalingen. Weliswaar is in het eerste faillissementsverslag van 18 augustus 2011 opgenomen dat “
het kasgeld ongeveer om de dag(wordt)
opgehaald door de curator of één van haar medewerkers”, maar gesteld noch gebleken is dat Deutsche Bank reeds de beschikking had over dit faillissementsverslag toen zij op 24 augustus 2011 met de curator een schikking bereikte over de boedelbijdrage.
1.788,00(2 punten × tarief € 894,00)