Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
,
Rechtbank Gelderland
Klaagster, gediagnosticeerd met meerdere psychische stoornissen, werd op 4 juli 2013 op last van de burgemeester opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Na een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op 11 juli 2013 werd zij op 12 juli 2013 overgeplaatst naar een andere instelling waar de inbewaringstelling met onmiddellijke ingang werd opgeheven. Klaagster ondernam diezelfde dag een suïcidepoging. Zij diende vervolgens een klacht in tegen de opheffing van de inbewaringstelling en vorderde een schadevergoeding van € 2.500.
De rechtbank behandelde de ontvankelijkheid van de klacht op grond van artikel 41a Wet Bopz. Klaagster stelde dat zij onterecht werd ontslagen omdat de ontslagbevoegdheid was gemandateerd aan haar behandelaar en omdat zij niet vrijwillig opgenomen wilde worden terwijl er nog gevaar voor haarzelf bestond. Tevens stelde zij dat zij gedwongen werd een behandelplan te ondertekenen dat zij niet wilde, wat zij als dwangbehandeling kwalificeerde.
De rechtbank oordeelde dat de klacht over het ondertekenen van het behandelplan niet onder artikel 41a Wet Bopz valt en dat het vermeende niet-nakomen van het behandelplan niet kan worden toegerekend aan een overeenkomst tussen klaagster en haar behandelaar, maar slechts aan het opstellen van een behandelplan door de behandelaar zonder noodzaak tot overeenstemming. De klacht werd daarom niet ontvankelijk verklaard. De vordering tot schadevergoeding werd niet toegewezen.
Uitkomst: Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht tegen de opheffing van de inbewaringstelling.