Gevi c.s. diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters mr. K.H.A. Heenk, mr. M.A.M. Vaessen en mr. E. Boerwinkel wegens vermeende schending van het recht op een fair trial, omdat het verzoek om pleidooi was geweigerd. Zij stelden dat hierdoor hun mogelijkheid om te reageren op nieuwe producties van Rabobank en curatoren werd belemmerd.
De rechters gaven aan niet betrokken te zijn bij de oorspronkelijke weigering van het pleidooi, die door de rolrechter was genomen, en benadrukten dat zij toezicht houden op de voortvarendheid van de procedure. De rechtbank overwoog dat een wrakingsverzoek alleen gegrond kan zijn bij uitzonderlijke omstandigheden die wijzen op vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.
De rechtbank stelde vast dat de weigering van pleidooi door de rolrechter niet zonder meer aan de behandelend rechters kan worden toegerekend. Bovendien is het niet toestaan van pleidooi in principe geen grond voor wraking tenzij sprake is van vooringenomenheid, die niet werd aangetoond. De rechtbank concludeerde dat het wrakingsverzoek een verkapt middel was tegen een onwelgevallige beslissing en wees het verzoek af.
De procedure wordt voortgezet in de stand zoals die was bij indiening van het wrakingsverzoek. De beslissing werd genomen door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Gelderland en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2013.