ECLI:NL:RBDOR:2012:BV6246
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren vrucht wegens levensvatbaarheidsgrens
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ongeboren vrucht van zeventien weken als levensvatbaar te verklaren en onder toezicht te stellen vanwege ernstige dreiging vanuit de familie van de moeder, die de zwangerschap niet accepteert en zelfs geweld dreigt te gebruiken. De moeder was eerder uit huis geplaatst vanwege eerwraakdreiging, maar keerde terug naar de regio waar haar familie woont.
De Raad stelde dat de situatie onveilig was en dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk was om de moeder en ongeboren vrucht te beschermen. De moeder stemde in met het verzoek, maar achtte het gevaar gering vanwege een aanstaande religieuze huwelijk.
De rechtbank oordeelde dat volgens het Nederlands recht de ongeboren vrucht geen zelfstandige rechten heeft en dat bescherming pas toekomt na de levensvatbaarheidsgrens, die medisch is vastgesteld op 24 weken zwangerschap. Omdat de vrucht slechts zeventien weken oud was, kon geen voorlopige ondertoezichtstelling worden uitgesproken. Het verzoek werd daarom afgewezen.
De uitspraak benadrukt de juridische grenzen van bescherming van ongeborenen en het belang van de levensvatbaarheidsgrens in het Nederlandse familierecht.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de zeventien weken oude ongeboren vrucht wordt afgewezen wegens het ontbreken van levensvatbaarheid.