ECLI:NL:RBDOR:2010:BM4623
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij WW-uitkeringsfraude door ZZP'er
Tussen 2003 en 2006 werkte verdachte vanuit een WW-positie als zelfstandige zonder personeel (ZZP'er) en werd haar verweten niet tijdig alle relevante gegevens aan het UWV te hebben doorgegeven, met name het onderscheid tussen directe en indirecte uren en deelname aan een WW-experiment voor zelfstandigen. De politierechter stelde vast dat verdachte steeds open contact had met het CWI en UWV, die op de hoogte waren van haar werkzaamheden en geen duidelijke of corrigerende aanwijzingen gaven.
De verdediging voerde aan dat verdachte onvoldoende was geïnformeerd en dat sprake was van tegenstrijdige informatie van het UWV/CWI. Verder werd gewezen op een rapport van de Nationale ombudsman over gebrekkige handhaving door het UWV bij zelfstandigen. De politierechter oordeelde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte opzettelijk gegevens had achtergehouden, mede omdat het onderscheid tussen directe en indirecte uren destijds onduidelijk was.
De officier van justitie vorderde vrijspraak vanwege twijfel over opzet. De rechter concludeerde dat verdachte niet wist van een aanmerkelijke kans dat zij gegevens niet tijdig zou doorgeven en dat zij dit ook niet op de koop toe had genomen. Daarom werd verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging van WW-uitkeringsfraude.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor opzet bij WW-uitkeringsfraude.