ECLI:NL:RBDOR:2010:BM3354
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing eigendomsvordering op grond van extinctieve verjaring wegens houderschap
Eiser kocht in 1968 een woning en huurde vanaf 1969 tot eind 1973 een stuk grond van de Gemeente Dordrecht voor een symbolisch bedrag. Na het einde van de huurovereenkomst gebruikte eiser het perceel voortgezet als tuin, maar zonder nieuwe overeenkomst. Eiser stelde dat hij door feitelijk bezit sinds 1974 eigenaar was geworden via extinctieve verjaring ex artikel 3:105 BW Pro.
De Gemeente betwistte dit en stelde dat eiser het perceel bleef houden als houder, niet als bezitter, omdat de oorspronkelijke rechtsverhouding voortduurde. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende feiten had aangevoerd waaruit bleek dat hij het stuk grond als bezitter had verkregen. Het voortgezet gebruik was onder dezelfde titel als huurder, zonder tegenspraak of handeling van de Gemeente die eigendomsoverdracht zou impliceren.
De rechtbank wees de vordering af, veroordeelde eiser in de proceskosten en oordeelde dat een beroep op verjaring niet slaagt zolang het stuk grond als houder wordt gebruikt. De uitspraak bevestigt dat feitelijk gebruik zonder duidelijke eigendomsoverdracht of tegenspraak niet leidt tot eigendom door verjaring.
Uitkomst: De vordering tot eigendom door extinctieve verjaring wordt afgewezen omdat eiser het stuk grond slechts als houder gebruikte.