ECLI:NL:RBDOR:2007:BA6526

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
30 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/992784-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wettig bewijs voor ontdoen grof snoeiafval

In deze strafzaak stond verdachte, een B.V., terecht voor het zich ontdoen van grof snoeiafval door afgifte aan een ander bedrijf. De officier van justitie stelde dat verdachte zich onrechtmatig had ontdaan van 2640 kubieke meter groenafval en snoeihout in de periode van 29 maart tot 5 april 2006.

Tijdens de terechtzitting werd een jaarcontract overlegd tussen verdachte en een dochteronderneming van het bedrijf A B.V., waarin stond dat het eigendom van het snoeiafval bij het verlaten van het terrein aan deze dochteronderneming overging. Tevens waren de vrachtbrieven op naam van deze dochteronderneming gesteld. Dit leidde tot het vermoeden dat verdachte het afval aan deze partij had overgedragen en niet aan de door het OM genoemde bedrijven.

De economische politierechter oordeelde dat het wettig en overtuigend bewijs ontbrak om de tenlastelegging te bewijzen. De dagvaarding was geldig, de rechter bevoegd en de officier van justitie ontvankelijk, maar de bewijsvoering overtuigde niet. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het zich ontdoen van grof snoeiafval.

Uitspraak

RECHTBANK TE DORDRECHT
Parketnummer : 11/992784-06
Datum uitspraak : 30 mei 2007
Strafvonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Dordrecht.
1. Onderzoek van de zaak.
In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen
[verdachte]B.V.,
[adres],
[vestigingsplaats],
heeft de economische politierechter in de rechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.
De economische politierechter heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting d.d. 16 mei 2007 op de grondslag van de tenlastelegging.
Hij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de verdachte, in deze vertegenwoordigd door de bestuurder van de B.V., en de raadsvrouw van verdachte mr. C. Waling, advocate te 's-Gravenhage.
2. De tenlastelegging.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 29 maart 2006 tot en met 5 april 2006 te
Giessenburg, gemeente Giessenlanden, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen, te weten groenafval en/of snoeihout (grof verkleind), heeft ontdaan, immers heeft zij zich van 2640 kubieke meter groenafval en/of snoeihout (grof verkleind) ontdaan bij [X] B.V. en/of [Y] en/of [Z].
3. De voorvragen
3.1 De geldigheid van de dagvaarding
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.
3.2 De bevoegdheid van de economische politierechter
Krachtens de wettelijke bepalingen is de economische politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
3.4 De schorsing van de vervolging
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.
4. Het onderzoek ter terechtzitting
4.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert -het tenlastegelegde bewezen achtend- een geldboete van EUR 5000,00, waarvan EUR 2500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
4.2 De verdediging
De verdediging heeft een bewijsverweer en een strafmaatverweer gevoerd.
5. De bewijsbeslissing
5.1 Vrijspraak
Naar het oordeel van de economische politierechter is niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd, omdat het wettig en overtuigend bewijs terzake ontbreekt.
In het procesdossier (bijlage 21) bevindt zich een ondertekende jaarovereenkomst, ingaande januari 2006, tussen verdachte en [GR] B.V. te Rijswijk, waarvan bestaan en inhoud ter terechtzitting niet door de officier van justitie zijn weersproken. Voornoemde overeenkomst luidt onder meer als volgt:
De afvalstoffen die door u (de economische politierechter begrijpt: [GR] B.V.) van het gronddepot 21 naar een erkende verwerker worden afgevoerd, dragen wij na het uitwegen in eigendom aan u over. Dit houdt in dat bij het verlaten van ons terrein het groenmateriaal eigendom is van [GR] B.V. Dit heeft tot gevolg dat u vanaf het moment van uitwegen de ontdoener bent en het af te voeren materiaal dan ook zodanig geregistreerd dient te worden.
In het procesdossier bevindt zich voorts een aantal begeleidingsbrieven behorend bij afvoer van verdachte naar [Z] (de eigenaar van de gedempte sloot) van hoeveelheden afval uit de partij waarop de tenlastelegging ziet, welke begeleidingsbrieven telkens op naam staan van [GR] B.V.
Het voorgaande lijkt het vermoeden op te roepen dat verdachte zich van het groen-/snoeiafval heeft ontdaan bij [GR] B.V. en niet - zoals tenlastegelegd - bij [X] B.V. en/of [Y] en/of [Z].
Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
6. De beslissing.
De economische politierechter beslist als volgt.
Hij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Hameete, economisch politierechter,
in tegenwoordigheid van de griffier P.J.F.M. Vermaat,
en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de economische politierechter op 30 mei 2007.