ECLI:NL:RBDOR:2007:BA6526
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettig bewijs voor ontdoen grof snoeiafval
In deze strafzaak stond verdachte, een B.V., terecht voor het zich ontdoen van grof snoeiafval door afgifte aan een ander bedrijf. De officier van justitie stelde dat verdachte zich onrechtmatig had ontdaan van 2640 kubieke meter groenafval en snoeihout in de periode van 29 maart tot 5 april 2006.
Tijdens de terechtzitting werd een jaarcontract overlegd tussen verdachte en een dochteronderneming van het bedrijf A B.V., waarin stond dat het eigendom van het snoeiafval bij het verlaten van het terrein aan deze dochteronderneming overging. Tevens waren de vrachtbrieven op naam van deze dochteronderneming gesteld. Dit leidde tot het vermoeden dat verdachte het afval aan deze partij had overgedragen en niet aan de door het OM genoemde bedrijven.
De economische politierechter oordeelde dat het wettig en overtuigend bewijs ontbrak om de tenlastelegging te bewijzen. De dagvaarding was geldig, de rechter bevoegd en de officier van justitie ontvankelijk, maar de bewijsvoering overtuigde niet. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het zich ontdoen van grof snoeiafval.