ECLI:NL:RBDOR:2007:AZ8103
Rechtbank Dordrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing conservatoire beslagen bij geschil over ontslag en afvloeiingsregeling
In deze zaak staat de opheffing van conservatoire beslagen centraal die door [gedaagde] zijn gelegd tegen VSR in verband met een geschil over zijn ontslag en de nakoming van een contractuele afvloeiingsregeling. [gedaagde] was statutair directeur bij VSR en werd op staande voet ontslagen, waarvan hij de nietigheid betwist en een bodemprocedure is gestart. Ter zekerheid van zijn vordering heeft hij conservatoir beslag laten leggen op diverse derden en het bedrijfspand van VSR.
VSR vordert in conventie de opheffing van deze beslagen, stellende dat het ingeroepen recht ondeugdelijk is en het beslag onnodig. De rechtbank oordeelt dat niet summierlijk is gebleken van ondeugdelijkheid van het recht van [gedaagde], onder meer omdat de contractuele afvloeiingsregeling en pensioenschade vorderingen voldoende onderbouwd zijn. Ook is geen reden om het beslag op een lager bedrag te begroten. De door VSR gestelde belemmeringen in haar bedrijfsuitoefening door het beslag wegen niet zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij handhaving.
In reconventie vordert [gedaagde] betaling van een bedrag, maar deze vordering is niet aangekondigd en de toelating ervan wordt als strijdig met de goede procesorde beoordeeld. Daarom wordt hij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wijst de vorderingen van VSR af, veroordeelt haar in de proceskosten en verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in zijn reconventionele vordering.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van conservatoire beslagen wordt afgewezen en de vordering in reconventie wordt niet-ontvankelijk verklaard.