ECLI:NL:RBDOR:2006:AY9250

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
14 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/700757-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 261 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring dagvaarding wegens onvoldoende duidelijke tenlastelegging in zedenzaak

De rechtbank Dordrecht behandelde een zedenzaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen december 2004 en maart 2005. De tenlastelegging omvatte verschillende seksuele handelingen die volgens de officier van justitie verschillende verklaringen van verdachte en het slachtoffer moesten dekken.

Tijdens de terechtzitting bleek dat verdachte en het slachtoffer uiteenlopende verklaringen hadden over de datum en plaats van de gepleegde handelingen, waarbij zij elk spraken over verschillende situaties. De officier van justitie had bewust een ruime pleegperiode en meerdere feitelijkheden in de tenlastelegging opgenomen zonder een duidelijke keuze te maken tussen de verschillende situaties.

De rechtbank oordeelde dat deze onduidelijkheid in de tenlastelegging in strijd is met artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering, omdat de dagvaarding niet duidelijk maakt welk feit verdachte wordt verweten. Hierdoor kan de tenlastelegging niet als grondslag dienen voor het onderzoek op de terechtzitting.

Daarom verklaarde de rechtbank de dagvaarding nietig. Dit betekent dat de zaak niet inhoudelijk is behandeld en dat de procedure niet kan worden voortgezet op basis van de huidige dagvaarding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig wegens onvoldoende duidelijke tenlastelegging.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
Parketnummer : 11/700757-06
Zittingsdatum : 14 september 2006
Uitspraak : 14 september 2006
STRAFVONNIS
De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren in 1987,
wonende te [adres en woonplaats].
De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de
vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren
heeft gebracht.
1. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2004 tot en met 1 maart 2005 te
Hardinxveld-Giessendam, met [slachtoffer] (geboortedatum 20 juli 1990), die de
leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die
bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het
lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte
-over de borst(en) van die [slachtoffer] gewreven en/of gestreeld, althans in elk geval de borst(en) van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
-over de bil(len) van die [slachtoffer] gewreven en/of gestreeld, althans in elk
geval de bil(len) van die [slachtoffer] betast en/of aangeraakt en/of
-over de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] gewreven en/of gestreeld, althans in elk geval de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer] betast
en/of aangeraakt en/of
-die [slachtoffer] ge(tong)zoend en/of
-zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gestoken/gedaan en/of
-zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gestoken/gedaan en/of
-(vervolgens) met zijn penis op-en-neer-gaande bewegingen gemaakt in de vagina
van die [slachtoffer].
2. De voorvragen
2.1 De geldigheid van de dagvaarding
De officier van justitie heeft, naar aanleiding van nadere vragen van de rechtbank omtrent de inhoud van de tenlastelegging ter terechtzitting, - kort en zakelijk samengevat - het navolgende gesteld.
De officier van justitie heeft op grond van het betreffende proces-verbaal van de politie geconstateerd dat verdachte en [slachtoffer] uiteenlopende verklaringen hebben afgelegd omtrent pleegdatum en pleegplaats van het delict waarvoor verdachte wordt vervolgd, alsmede van de omstandigheden waaronder dit delict zich zou hebben voorgedaan.
Op grond daarvan heeft hij in de tenlastelegging bewust een ruimere pleegperiode opgenomen en heeft hij er voor gekozen om de onder een zevental gedachtestreepjes genoemde feitelijkheden zodanig te formuleren en op te nemen in de tenlastelegging, dat zij de beide feitelijke situaties, zoals daaromtrent door verdachte en [slachtoffer] voornoemd, is verklaard en waarvan ook in het betreffende proces-verbaal van de politie blijkt, dekken.
De raadsman heeft zich niet uitgelaten omtrent het vorenstaande.
De rechtbank is op grond van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende gebleken.
Verdachte en [slachtoffer] hebben beiden verklaard - kort en zakelijk samengevat - dat zij éénmaal geslachtsgemeenschap met elkaar hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat dit heeft plaatsgevonden medio februari 2005 in een parkje bij de Deltabrug in Hardinxveld-Giessendam. [Slachtoffer] heeft verklaard dat deze gemeenschap heeft plaatsgevonden op 18 december 2004 in de woning van verdachte in Hardinxveld-Giessendam. Beiden verklaren derhalve over volstrekt andere situaties. Daarnaast hebben zowel verdachte als [slachtoffer] verklaard omtrent overige seksuele handelingen - in de tenlastelegging opgenomen onder een zevental gedachtestreepjes - welke rondom genoemde gemeenschap zouden zijn verricht. Een aantal van deze handelingen kan slechts betrekking hebben op één van beide situaties.
De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat de beide situaties elkaar uitsluiten. In de tenlastelegging zoals door de officier van justitie geformuleerd - mede gelet op de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting - wordt echter geen keuze gemaakt tussen beide situaties. Doordat de officier van justitie verzuimt een keuze te maken in hetgeen hij verdachte verwijt en waarvoor hij hem vervolgt, terwijl hij hem in de tenlastelegging uitdrukkelijk slechts één feit verwijt, laat de officier van justitie daarmee impliciet deze keuze aan de rechtbank. Dit is in strijd met de wet.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is, niet kan fungeren als grondslag voor (het onderzoek op) een terechtzitting en derhalve niet voldoet aan de vereisten van het bepaalde in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal dan ook de dagvaarding nietig verklaren.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,
mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. W.P.M. Jurgens, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 september 2006.