ECLI:NL:RBDOR:2006:AX2867

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
18 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
157913 CV EXPL 05-2034
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 lid 3 BWArt. 7:653 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid boetebeding en schending non-concurrentiebeding door oprichting concurrerend bedrijf binnen verboden straal

In deze zaak staat de vraag centraal of gedaagde het non-concurrentiebeding uit zijn arbeidsovereenkomst heeft overtreden door een concurrerend bedrijf te vestigen binnen een straal van 50 km rond Sliedrecht.

Uit getuigenverklaringen en eigen gedragingen van gedaagde blijkt dat hij inderdaad een onderneming heeft gestart in een plaats binnen de verboden straal, ondanks zijn stelling dat hij vanuit een andere locatie opereerde. Het boetebeding in de overeenkomst, dat matiging uitsluit, wordt door de rechtbank nietig verklaard op grond van artikel 6:94 lid 3 BW Pro.

Eiseres vordert onder meer naleving van het concurrentiebeding, betaling van boetes en schadevergoeding. De rechtbank wijst de vordering tot naleving toe en geeft eiseres de mogelijkheid om de geleden schade, inclusief reputatieverlies, nader te onderbouwen. De overige vorderingen, waaronder betaling van boetes, worden afgewezen vanwege de nietigheid van het boetebeding en onvoldoende onderbouwing van de schade.

De reconventionele vorderingen van gedaagde worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door kantonrechter E.D. Rentema op 18 mei 2006.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot naleving van het non-concurrentiebeding en eiseres krijgt gelegenheid haar schade nader te onderbouwen; het boetebeding is nietig verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector kanton
Locatie Dordrecht
Kenmerk: 157913 CV EXPL 05-2034
vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 18 mei 2006
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Pellikaan’s Verpakkingen B.V.,
gevestigd te Sliedrecht,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. E.F.H.M. Voets,
rolgemachtigde: Th. J. Wouters,
tegen :
[X],
wonende te […],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. M.W. van de Loo.
Het verdere verloop van de procedure
In conventie en reconventie.
Bij vonnis d.d. 29 september 2005 is een comparitie van partijen gelast, die op 4 november 2005 heeft plaats gevonden.
Ter gelegenheid van die comparitie is aan eiseres de volgende bewijsopdracht gegeven: "stelt Pellikaan's Verpakkingen in de gelegenheid te bewijzen dat [X], na het einde van het dienstverband, in strijd heeft gehandeld met het concurrentiebeding.".
Op 17 januari 2006 zijn door eiseres vijf getuigen voorgebracht en op 30 maart heeft gedaagde twee getuigen doen horen.
Beide partijen hebben vervolgens nog een akte genomen.
Beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Het tussen partijen geldende non-concurrentiebeding luidt als volgt:
(…)
ad 1.
Het is mij bekend, dat het mij niet toegestaan is gedurende de loop van de dienstbetrekking voor een ander (werkgever of opdrachtgever) werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect en dat ik mij dien te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. (…)
Ad 3.
Het is mij verboden binnen een tijdvak van 2 jaar na beëindiging van mijn dienstbetrekking bij U, zelf binnen een kring (of straal) van 50 km met Sliedrecht als middelpunt, in enigerlei vorm een zaak, gelijk, gelijksoortig, of aanverwant aan die van Uw bedrijf te vestigen, te drijven, mede te drijven, of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang te hebben, direct of indirect, of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet of daarin aandeel van welke dan ook te hebben. Bij overtreding van dit verbod zal een dadelijk opeisbare boete verbeurd worden ad f. 1.000,-- voor elke dag der overtreding, welke boete niet voor matiging in aanmerking komt.
Ad.5.
Het is mij verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging daarvan, op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm dan ook en in welke voege, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden betreffende uwe onderneming, of daarmede verbandhoudende met de (gedane) werkzaamheden, zulks op straffe van een verbeurte boete, een schadevergoeding, respectievelijk andere wettelijke maatregelen."
Aangezien gedaagde niet heeft ontkend dat hij een soortgelijk bedrijf heeft opgericht, maar steeds heeft betoogd dat hij vanuit [V.] (buiten de straal van 50 km van Sliedrecht) heeft geopereerd, spitst de zaak zich daar voornamelijk op toe.
De verklaringen van de voorgebrachte getuigen afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat gedaagde wel degelijk (mede) vanuit [V.] (binnen de verboden straal) heeft gehandeld, zodat eiseres in het haar opgedragen bewijs is geslaagd.
De volgende getuigen hebben verklaard dat gedaagde in [V.] een onderneming is gestart:
"(…) In augustus 2004, op de verjaardag van zijn dochter, liet [X] mij weten dat hij voor zichzelf ging beginnen met een compagnon in [V.].", aldus de getuige […].
"(…) Ik heb hem voor een mooi prijsje verlichtingsarmaturen verkocht en geleverd en deze waren bestemd voor de showroom in [V.]. (…) Ik ben bij de opening aanwezig geweest en heb de verlichtingsarmaturen ook zien hangen. Bij die gelegenheid waren [X] en zijn compagnon aanwezig. [X] trad als gastheer op.", aldus de getuige […].
"(…) Wij doen nu zaken met [X] die zowel in [V.] als in [V.] is gevestigd.", aldus de door gedaagde voorgebrachte getuige […].
"(…) Ik ben toen naar de Verpakkingsgigant in [V.] overgestapt, dat was [X].",
aldus de door gedaagde voorgebrachte getuige […].
Daarbij komt ook nog dat gedaagde, zelfs indien de getuigen geen verklaringen m.b.t. [V.] zouden hebben afgelegd, reeds op grond van eigen handelingen als schender op het non-concurrentiebeding kan worden aangemerkt, doordat hij op het briefpapier van zijn onderneming en in reclameboodschappen tot uitdrukking heeft gebracht dat in [V.] de showroom en /of het magazijn is gevestigd. Aangezien een showroom en/of magazijn een wezenlijk onderdeel van een onderneming als die van gedaagde vormt, staat daarmee al vast dat de onderneming van gedaagde tevens in [V.] was gevestigd, hetgeen niet was toegestaan.
Op grond van het hiervoor overwogene, dient thans te worden bezien in welke mate de vorderingen van eiseres kunnen worden toegewezen.
Eiseres vordert, kort samengevat (zie voor uitgebreid het vonnis van 29 september 2005), om gedaagde in conventie bij vonnis te veroordelen:
1. tot strikte naleving van de bepalingen van de concurrentieovereenkomst onder verbeurte van een dwangsom van € 450,-- per dag of een deel van een dag;
2. de betaling van de boete die gedaagde op grond van overtreding van het non- concurrentiebeding tot de dag der dagvaarding verschuldigd is, zijnde een bedrag groot € 38.571,32 en een pm-bedrag voor de periode na de dag der dagvaarding.;
3. de betaling van een bedrag groot € 21.327,67 te rekenen tot de dag der dagvaarding, op grond van overtreding van het onderdeel van de concurrentieovereenkomst, houdende een verbod om mededelingen aan derden te doen, alsmede de betaling van een pm-bedrag voor de overtreding in de periode na de dag der dagvaarding;
4. de betaling van een schadevergoeding wegens winstderving, begroot op een bedrag van € 53.035,24 over de jaren 2005 en 2006;
5. de betaling van een schadevergoeding wegens reputatieverlies, begroot op een bedrag van € 25.000,--;
6. de veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.
De vordering onder 1 zal worden toegewezen, omdat de non-concurrentieovereenkomst nog tot en met oktober 2006 van kracht blijft en eiseres bij die toewijzing, zoals deze thans is geformuleerd, dus nog belang heeft.
Dat gedaagde zoals hij bij akte van 27 april 2006 heeft medegedeeld in april 2006 de vestiging te [V.] zal verlaten doet daar niet aan af.
De vordering onder 2 wordt afgewezen op grond van art. 6:94 lid 3 BW Pro, omdat het in de overeenkomst geformuleerde boetebeding, waarbij de matiging is uitgesloten, nietig is.
Voor het onder 3 gevorderde is geen aanleiding. Onvoldoende is gesteld en gebleken dat gedaagde artikel 5 van Pro de non-concurrentieovereenkomst heeft overtreden, nog daargelaten dat de door eiseres dienaangaande gevorderde bedragen zijn geënt op een (in Eurocourant omgerekende) boete uit artikel 3 van Pro die overeenkomst, welke boete vanwege de nietigheid van het beding, zoals hiervoor al is overwogen, niet bestaat.
Uit de stellingen van eiseres en de gedragingen van gedaagde staat wel vrijwel vast, dat eiseres door de handelwijze van gedaagde schade heeft geleden, welke schade dan ook voor vergoeding in aanmerking dient te komen.
De hoogte van die schade en met name ook de daarbij behorende stelling dat eiseres reputatieverlies heeft geleden zijn echter tot nu toe in deze procedure bepaald onvoldoende belicht gebleven en mitsdien is de hoogte van de schade onduidelijk, zodat die schade vooralsnog niet voor toewijzing vatbaar is.
Eiseres zal alsnog in de gelegenheid worden gesteld om haar geleden schade nader te onderbouwen, waarbij het uitsluitend nog kan gaan om de schade die zij wegens de schending van artikel 3 van Pro de non-concurrentieovereenkomst, tevens omvattende een eventueel daaruit voortgevloeid, op schade te waarderen reputatieverlies, heeft geleden.
De zaak zal daartoe naar de rol van 9 juni 2006 worden verwezen. Gedaagde zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om uitsluitend op de schadeopstelling van eiseres te reageren.
De reconventionele vorderingen stuiten alle af op de toewijzing in conventie en zullen worden afgewezen. Eiser in reconventie zal in de kosten van de reconventie worden veroordeeld.
Beslissing
De kantonrechter:
in conventie
1. veroordeelt gedaagde tot strikte naleving van de bepalingen van de concurrentieovereenkomst voor de in die bepalingen genoemde perioden, onder verbeurte van een dwangsom van € 450,-- per dag of deel van een dag dat gedaagde in strijd handelt met één of meerdere van de bepalingen van de concurrentieovereenkomst;
2. stelt eiseres in de gelegenheid om de schade die zij wegens de schending van artikel 3 van Pro de non-concurrentieovereenkomst, tevens omvattende een eventueel daaruit voortgevloeid, op schade te waarderen, reputatieverlies, heeft geleden nader te onderbouwen;
houdt iedere verdere beslissing aan .
in reconventie
wijst de vorderingen af met veroordeling van eiser in reconventie in de kosten van het geding in reconventie, tot op heden aan de zijde van gedaagde in reconventie bepaald op € 1.200,-- aan salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 mei 2006, in aanwezigheid van de griffier.