ECLI:NL:RBDOR:2004:AQ6547
Rechtbank Dordrecht
- Verzet
- P.G.J. de Heij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij territoriale insolventieprocedure en het begrip vestiging
De buitenlandse vennootschap [gefailleerde] GmbH werd bij verstek failliet verklaard door de rechtbank Dordrecht op verzoek van het UWV en het College Zorgverzekeringen. [gefailleerde] kwam in verzet tegen dit vonnis met het argument dat het centrum van haar voornaamste belangen in Duitsland ligt en zij geen vestiging in Nederland heeft.
De rechtbank onderzocht het begrip 'vestiging' zoals omschreven in artikel 2 onder Pro h van de Insolventieverordening, waarbij een vestiging wordt gezien als een plaats van handeling waar een niet-tijdelijke economische activiteit wordt uitgeoefend. Hoewel de inschrijving in het handelsregister en de aanwezigheid van auto's in Dordrecht werden besproken, concludeerde de rechtbank dat deze feiten onvoldoende waren om aan te nemen dat [gefailleerde] nog een vestiging in Nederland had.
De rechtbank overwoog dat voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op het moment van toetsing een daadwerkelijke vestiging aanwezig moet zijn. De ratio van de Insolventieverordening is om schuldeisers te beschermen die met een plaatselijke vestiging te maken hebben, maar de tekst laat geen ruimte voor een ruime interpretatie. Daarom werd het eerdere vonnis vernietigd, verklaarde de rechtbank zich onbevoegd en legde de kosten van de curator en publicatie ten laste van [gefailleerde].
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en vernietigt het faillissementsvonnis wegens het ontbreken van een vestiging in Nederland.