ECLI:NL:RBDOR:2003:AH8833

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
25 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
11/006098-02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 SvArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 359a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens ontbreken belang bij onthouding processtukken

In deze zaak diende verdachte een bezwaarschrift in op grond van artikel 32 Wetboek Pro van Strafvordering tegen de onthouding van kennisneming van bepaalde processtukken (AH 01 tot en met AH 04). Deze stukken waren aanvankelijk door het openbaar ministerie en de rechter-commissaris onthouden vanwege het onderzoeksbelang.

Na verloop van tijd zijn de processtukken alsnog aan de verdediging verstrekt. Verdachte handhaafde zijn bezwaarschrift met het oog op het verkrijgen van een rechtsoordeel over de vraag of de aanvankelijke onthouding van kennisneming een schending van een procesrechtelijk beginsel vormde.

De rechtbank oordeelde dat het enkel verkrijgen van een rechtsoordeel over een dergelijke vraag geen belang vormt waarop de bezwaarschriftenprocedure gericht is. Nu de stukken inmiddels zijn verstrekt, ontbreekt het verdachte aan belang bij het bezwaarschrift.

De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk en verwees naar de mogelijkheid om dergelijke procesrechtelijke vragen voor te leggen aan de zittingsrechter op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering.

De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer te Dordrecht op 25 juni 2003.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaarschrift wegens het ontbreken van belang.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Parketnummer: 11/006098-02
Registratienummer: 03/163
Beschikking van de rechtbank te Dordrecht op het bezwaarschrift onthouding kennisneming van processtukken als bedoel in artikel 32 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de zaak tegen:
[Verdachte],
Geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
Wonende te [adres verdachte],
Thans gedetineerd in PI Zuid Oost, huis van bewaring Roermond te Roermond,
verder te noemen: verdachte,
te dezer zake bijgestaan door zijn raadsman mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.
De procedure
Bij een door de griffier opgemaakte akte d.d. 20 juni 2003 is het bezwaarschrift ter griffie binnengekomen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft het bezwaarschrift op 25 juni 2003 behandeld ter gelegenheid waarvan de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, zijn gehoord.
De feiten
Bij vordering tot gerechtelijk vooronderzoek d.d. 12 juni 2003 is een gerechtelijk vooronderzoek geopend.
Verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis op verdenking van -kort gezegd- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 11, tweede lid , van de Opiumwet.
Bij proces-verbaal d.d. 20 juni 2003 heeft de officier van justitie verklaard dat de stukken AH 01 tot en met 04 in verband met het onderzoeksbelang vooralsnog aan de verdediging te onthouden.
Hiernaast heeft de rechter-commissaris bij beschikking d.d. 20 juni 2003 beschikt dat de kennisneming van de processtukken AH 01 tot en met AH 04 voorlopig wordt onthouden in belang van het onderzoek.
De processtukken AH 01 tot en met AH 04 zijn door de officier van justitie op 24 juni 2003 alsnog aan de verdediging ter beschikking gesteld.
Het standpunt van de verdediging
Hoewel de in het geding zijnde stukken inmiddels zijn verstrekt heeft verdachte de bij de behandeling in raadkamer bij het verkrijgen van de beslissing op het bezwaarschrift gepersisteerd. Zijn belang daarbij zou zijn gelegen in, althans zo begrijpt de rechtbank, het verkrijgen van een rechtsoordeel over de vraag in hoeverre de handelwijze van het openbaar ministerie, het klaarblijkelijk zonder reden gedurende een aantal dagen de verdediging kennisname van processtukken onthouden, strijdig is geweest met een beginsel van procesorde.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert dat verdachte geen belang meer heeft bij het bezwaarschrift nu de onthouden processtukken AH 01 tot en met AH 04 reeds zijn verstrekt aan de verdediging. Verdachte dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn bezwaarschrift.
De beoordeling van het bezwaarschrift
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en voldoet aan de formele vereisten omtrent de indiening daarvan.
De rechtbank overweegt als volgt.
Nu de processtukken 00/AH/01 tot en met 00/AH/04 inmiddels in kopie aan de verdediging zijn verstrekt heeft verdachte geen belang meer bij zijn bezwaarschrift.
Het verkrijgen van een rechtsoordeel over de vraag of het openbaar ministerie in deze zaak een beginsel van procesorde heeft geschonden vormt geen belang dat in het kader van de bezwaarschriftenprocedure van artikel 32 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan worden aangevoerd. Veeleer ligt in de rede deze vraag, alsmede de vraag of een bevestigend antwoord daarop gevolgen moet hebben en zo ja welke, voor te leggen aan de zittingsrechter, die daarop met toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering nader zou kunnen beslissen.
De verdachte zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn bezwaarschrift.
Beschikking
De meervoudige raadkamer voor strafzaken:
Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift.
De beslissing is gegeven door:
Mr. C.B.M. Bruens, voorzitter, mrs. drs. T.F van der Lugt en A.P. Hameete, rechters,
in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier.
De beschikking is uitgesproken op 25 juni 2003.