ECLI:NL:RBDOR:2002:AE3772

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
6 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
11/030181-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WvgsArt. 2 Wvgs
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken van wettige bewijs voor vervoer gevaarlijke stoffen tijdens parkeren

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het vermeende ten laste gelegde feit van het vervoeren van gevaarlijke stoffen door middel van parkeren binnen de bebouwde kom, waarbij de bebouwde kom niet zoveel mogelijk werd vermeden. De tenlastelegging was gebaseerd op artikel 11 van Pro de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).

Tijdens de terechtzitting op 23 mei 2002 werd door het openbaar ministerie en de verdediging gedebatteerd over de vraag of parkeren en laten staan van een vervoermiddel ook onder het begrip 'vervoeren' in de Wvgs valt. De rechtbank heeft de wetstekst en parlementaire geschiedenis bestudeerd en concludeerde dat parkeren en laten staan weliswaar onder de toepassingsbereik van de wet vallen, maar niet als onderdeel van het begrip 'vervoeren' in artikel 11 Wvgs Pro worden beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden omdat het feitelijke handelen van verdachte (parkeren) niet valt onder het wettelijk begrip vervoer zoals bedoeld in de Wvgs. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.

De uitspraak werd gedaan in openbare terechtzitting op 6 juni 2002 door de meervoudige kamer van de rechtbank Dordrecht, waarbij de rechters H.A.C. Smid (voorzitter), A.P. Hameete en F. van der Meijden het vonnis hebben gewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat parkeren niet valt onder het begrip vervoer in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Uitspraak

Parketnummer: 11.030181-01
Datum uitspraak: 6 juni 2002
Strafvonnis van de rechtbank te Dordrecht.
1. Onderzoek van de zaak.
In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht tegen
[verdachte],
Gevestigd te [vestigingsadres]
Ter terechtzitting vertegenwoordigd door:
[vertegenwoordigster]
in haar functie van bestuurder van bovengenoemde besloten vennootschap
heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank te Dordrecht het navolgende vonnis gewezen.
De rechtbank heeft de processtukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting van 23 mei 2002 op de grondslag van de tenlastelegging.
Zij heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de verdediging, naar voren gebracht door de vertegenwoordigster van de verdachte vennootschap en haar raadsman mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.
2. De tenlastelegging.
Aan verdachte is ten laste gelegd, hetgeen vermeld staat in de dagvaarding, waarvan een kopie in dit vonnis is gevoegd.
3. Vrijspraak.
Aan verdachte is, zakelijk weergegeven, tenlastegelegd het op 8 september 2001 vervoeren door middel van parkeren van gevaarlijke stoffen terwijl daarbij de bebouwde kom niet zoveel mogelijk werd vermeden. De tenlastelegging ziet op artikel 11 van Pro de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Openbaar ministerie en verdediging verschillen van opvatting over de vraag of onder vervoeren in de zin van voormeld artikel ook parkeren en laten staan moet worden begrepen.
De rechtbank is het volgende van oordeel.
In artikel 2 van Pro de Wvgs heeft de wetgever zowel (sub a) vervoeren met een vervoer-middel als (sub c) het laten staan van een vervoermiddel onder het toepassingsbereik van de wet gebracht, echter beide begrippen zijn afzonderlijk omschreven en dus, zonder nadere regeling, niet aan elkaar gelijk. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wvgs blijkt voorts dat gelijktijdig met deze wet een wijziging van de Kernenergiewet (Kew) is vastgesteld, waarin (voorzover het activiteiten in het kader van de Kew betrof) het parkeren en laten staan van geladen vervoermiddelen expliciet wordt begrepen onder de term vervoeren. Zowel uit de systematiek als de geschiedenis van de Wvgs blijkt daarom dat de wetgever het parkeren en laten staan van geladen vervoermiddelen niet beschouwt als deel uitmakend van het begrip vervoer in de zin van artikel 11 van Pro die wet.
Mitsdien is in deze zaak geen sprake van het tenlastegelegde vervoeren en is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
4. DE BESLISSING.
De rechtbank beslist als volgt:
Zij verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs. H.A.C. Smid, voorzitter,
A.P. Hameete en F. van der Meijden, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier,
en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 6 juni 2002.