ECLI:NL:RBDOR:2001:AD5010
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beëindiging uitkering Zorgwet vvtv bij vertrek uit opvang en verlies domicilie
Verzoekster, houder van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), ontving voorzieningen van de gemeente Sliedrecht op grond van de Zorgwet vvtv. Na opname in diverse noodopvanglocaties vertrok zij zonder bericht uit het vrouwenhuis in de gemeente Y en vestigde zich in een andere gemeente. Verweerders beëindigden daarop de uitkering per 28 maart 2001, stellende dat verzoekster haar woonstede in Sliedrecht had prijsgegeven en niet langer in de gemeente verbleef.
Verzoekster betoogde dat de beëindiging onterecht was omdat zij niet terug durfde te keren naar Sliedrecht en de gemeente P de zorg niet wilde overnemen. Tevens stelde zij dat zij niet in de gelegenheid was gesteld haar zienswijze te geven. De president overwoog dat de Zorgwet vvtv zelf geen expliciete beëindigingsgronden bevat, maar uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat feitelijk verblijf in de gemeente een noodzakelijke voorwaarde is voor aanspraak op zorg.
De rechtbank accepteerde de analoge toepassing van het begrip domicilie uit het handboek Abw, waarbij verblijf in noodopvang niet wordt gezien als prijsgeven van woonstede. Nu verzoekster de noodopvang had verlaten en niet wilde terugkeren, kon verweerders de uitkering beëindigen. De beëindiging was weliswaar ten onrechte gebaseerd op artikelen 17 en 21 van de Zorgwet vvtv, maar dit kon in de bezwaarprocedure worden rechtgezet. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de uitkering op grond van de Zorgwet vvtv werd afgewezen omdat verzoekster niet langer in de gemeente verbleef.