Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9971

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
11901478 RL EXPL 25-17937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 BWArt. 3:49 BWArt. 3:53 BWArt. 7:611 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsrechtelijke vernietiging addendum wegens misbruik van omstandigheden en toewijzing loonvordering

De werknemer trad in 2009 in dienst bij de werkgever met toepassing van de CAO Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf. Eind 2024 tekende de werknemer onder druk een addendum met nadelige wijzigingen, waaronder een loonsverlaging en beperking van de arbeidsduur. De werknemer stelde dat hij het addendum onder dwang en misbruik van omstandigheden had getekend en vorderde vernietiging en betaling van achterstallig loon.

De kantonrechter oordeelde dat geen sprake was van overgang van onderneming naar de andere vennootschap, zodat alleen de oorspronkelijke werkgever aansprakelijk was. Het addendum werd buitengerechtelijk vernietigd wegens misbruik van omstandigheden, omdat de werkgever onvoldoende uitleg gaf en de werknemer in een kwetsbare positie verkeerde. Tevens was het beding over loonsverhogingen in strijd met de CAO.

De loonvordering van €3.861,27 bruto inclusief vakantiegeld werd toegewezen, evenals de wettelijke rente en een verhoging van 50% wegens niet-tijdige betaling. De vordering tot uitbetaling van verlofuren werd afgewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. De werknemer kreeg geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegewezen vanwege onvoldoende specificatie.

Uitkomst: Het addendum wordt vernietigd wegens misbruik van omstandigheden en de loonvordering van de werknemer wordt toegewezen inclusief wettelijke verhoging en rente.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
EiV/cd
Zaak-/rolnr.: 11901478 RL EXPL 25-17937
29 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. P.M. van Wattum,
tegen

1.[gedaagde partij sub 1] B.V.,hierna: [gedaagde partij sub 1] ,2. [gedaagde partij sub 2] B.V.,hierna: [gedaagde partij sub 2] ,

beiden gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
gemachtigd namens beiden: mr. P. Smit.

1.Procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 17 september 2025 met producties 1 t/m 14;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 12.
1.2.
Op 23 maart 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eisende partij] is verschenen. Namens [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] is [naam 1] verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
[eisende partij] is op 20 april 2009 bij [gedaagde partij sub 1] in dienst getreden in de functie van medewerker algemeen schoonmaakonderhoud II. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (meest recente versie juli 2024-juni 2026) van toepassing. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 17 augustus 2021 is vermeld, voor zover relevant:
“De tijden waarop de werknemer de bedongen arbeid dient te verrichten zijn maandag tot en met vrijdag van 07.00 tot 16.00”
2.2.
Eind 2024 is tussen [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] overeengekomen dat een aandelentransactie zal plaatsvinden om [gedaagde partij sub 2] (indirect via [bedrijfsnaam] ) enig aandeelhouder te maken in [gedaagde partij sub 1] .
2.3.
Op 23 december 2024 hebben [eisende partij] en [gedaagde partij sub 1] , in aanwezigheid van de heer [naam 1] , een addendum op de arbeidsovereenkomst getekend. Dit addendum bevat (onder andere) de volgende bepaling:

Artikel 51. De werknemer wordt ingedeeld in loongroep 2, het bruto salaris van de werknemer bedraagt € 17,67 per uur inclusief CAO-verhogingen van 1 januari 2025 en 1 juli 2025. (…)
2. Bij de aanvang van de dienstbetrekking is de werkduur vastgesteld op minimaal 3 uur en maximaal 38 uur per week. (…)
2.4.
Na het ondertekenen van het addendum heeft [eisende partij] dezelfde dag aan [naam 2] (destijds bestuurder van [gedaagde partij sub 1] ), voor zover relevant, de volgende e-mail gestuurd:

Vanochtend (23 december 2024) is [naam 1] op de zaak gekomen met in zijn hand het ‘addendum op arbeidsovereenkomst’. [naam 1] heeft mij deze gegeven en aangegeven dat ik deze moest doorlezen en vervolgens moest ondertekenen. Ik heb aangegeven dat voordat ik wilde tekenen eerst dit document naar huis wilde meenemen en later wilde ondertekenen zodat ik dit kon overleggen met mijn naaste. Ik ben in dit soort zaken minder thuis en ben ook in bepaalde mate woordenblind als ik dit zo op papier zie staan. Dit heb ik ook bij jou aangegeven. Jij hebt aangegeven dat ik mij geen zorgen hoefde te maken en dat alles hetzelfde zou blijven zoals het was en ik dus gewoon zou kunnen tekenen. Ik zou ook niet worden overgenomen door de nieuwe eigenaar als ik niet zou tekenen. Hier schrok ik van en heb getekend zonder dat ik mij bewust was van de exacte consequenties van het ‘addendum op de arbeidsovereenkomst’.
Ik heb vanavond gelijk een maat van mij gebeld die wat meer in deze zaken thuis is om de gevolgen van het document te bespreken. Ik schrok van een aantal zaken die we bespraken. Op basis hiervan heb ik een aantal opmerkingen bij het document opgeschreven waarmee ik het ofwel niet eens ben ofwel nog vragen heb. De zaken in deze mail zijn de eerste belangrijke opmerkingen die echt aangepast en opgehelderd moeten worden. Mogelijk volgen er later meer: (…)
Artikel 5.1
Mijn huidige salaris is € 17,67 per uur, exclusief de verhogingen van 1 januari 2025 en 1 juli 2025 zoals overeengekomen in de CAO. Volgens het addendum lijkt mijn salaris echter te worden verlaagd, wat onacceptabel is en ook niet mag. (…)
Artikel 5.2
Mijn uren zijn nu aangepast naar minimaal 3 en maximaal 38 uur per week. Ik werk echter al jaren 40 uur per week en word daar ook voor betaald. Deze wijziging is onacceptabel, omdat het mijn inkomen en stabiliteit schaadt. Mocht ik worden teruggezet naar 38u per week zou dit kunnen, echter tegen dezelfde financiële condities zoals die nu gelden voor 40 uur. Alles onder de 38 uur vind ik volstrekt onacceptabel (tenzij dit gezamenlijk overeengekomen zou worden in de toekomst). (…)
2.5.
Per brief van 3 april 2025 heeft de gemachtigde van [eisende partij] aan [gedaagde partij sub 1] (in de persoon van de heer [naam 1] ) bericht dat [eisende partij] zich beroept op vernietiging van het addendum vanwege misbruik van omstandigheden, althans op de nietigheid daarvan wegens strijdigheid met de toepasselijke CAO.
2.6.
Sinds 24 februari 2026 is [gedaagde partij sub 2] enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] . [bedrijfsnaam] is op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde partij sub 1] . De enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde partij sub 2] is de heer [naam 1] .

3.Vordering, grondslag en verweer

3.1.
[eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (verkort weergegeven):
voor recht verklaart dat [gedaagde partij sub 1] en [naam 1] [eisende partij] op oneigenlijke gronden het addendum gedateerd 18 december 2024 hebben laten tekenen;
voor recht verklaart dat [gedaagde partij sub 1] en [naam 1] het rechtens geldende salaris vanaf december 2024, te vermeerderen met de CAO-verhogingen per 1 januari 2025 en/of 1 juli 2025 aan [eisende partij] moeten doorbetalen op basis van een 40-urige werkweek;
[gedaagde partij sub 1] en [naam 1] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van het achterstallig salaris te vermeerderen met vakantietoeslag, opbouw verlofuren en afdracht pensioen over de periode januari 2025 tot de dag van dagvaarding, voorzien van een deugdelijke bruto/netto-specificatie onder verbeurte van een dwangsom van € 100.- per dag dat zij nalaten dit te overleggen;
[gedaagde partij sub 1] en [naam 1] hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro van 50 procent over de vordering onder 3., alsmede tot betaling van de wettelijke rente hierover vanaf de dag van in gebreke zijn;
[gedaagde partij sub 1] en [naam 1] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten.
3.2.
[gedaagde partij sub 1] en [naam 1] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten (inclusief de wettelijke rente over die kosten), met bepaling dat [gedaagde partij sub 1] en [naam 1] ieder 50 procent van de proceskosten toekomt.
3.3.
De stellingen en verweren van partijen worden hierna in de beoordeling besproken, voor zover relevant.

4.Beoordeling

Geen overgang van onderneming
4.1.
[eisende partij] richt zijn vorderingen zowel op [gedaagde partij sub 1] als op [gedaagde partij sub 2] , omdat volgens hem sprake is van een overgang van onderneming van [gedaagde partij sub 1] naar [gedaagde partij sub 2] . [eisende partij] stelt zich op het standpunt dat daarom de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst (ook) op [gedaagde partij sub 2] zijn komen te rusten. [gedaagde partij sub 2] betwist dat sprake is van een overgang van onderneming of dat zij anderszins als werkgever van [eisende partij] moet worden aangemerkt.
4.2.
Op grond van artikel 7:662 lid 1 sub a BW Pro wordt onder overgang van onderneming verstaan de overgang, ten gevolge van een overeenkomst, een fusie of een splitsing, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Volgens vaste jurisprudentie valt hieronder niet de enkele overdracht van aandelen, waarbij verder geen verandering optreedt in de persoon van de werkgever. [1] Om van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW Pro te spreken moet (ook) sprake zijn van de overdracht van ondernemingsactiviteiten.
4.3.
Het staat vast dat tussen [gedaagde partij sub 2] en de beheervennootschap van [gedaagde partij sub 1] een aandelentransactie heeft plaatsgevonden. Daarnaast zijn vanaf eind 2024 de personeelszaken van [gedaagde partij sub 1] overgenomen door het concern ‘cleaning.nl’, waarvan [gedaagde partij sub 2] onderdeel uitmaakt. Tegelijkertijd blijkt echter uit het addendum van 23 december 2024 – het addendum zelf is gedateerd op 18 december 2024, maar [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] weerspreken niet dat die datering onjuist is – dat deze is ondertekend namens [gedaagde partij sub 1] en niet namens [gedaagde partij sub 2] . Ook heeft [eisende partij] erkend dat zijn salaris steeds is betaald door [gedaagde partij sub 1] en dat op zijn salarisstroken [gedaagde partij sub 1] als werkgever wordt aangeduid. De heer [naam 2] is ook nog steeds de (operationeel) leidinggevende van [eisende partij] . Verder is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde partij sub 2] zich tegenover klanten van [gedaagde partij sub 1] is gaan presenteren als haar opvolger.
4.4.
Uit het voorgaande blijkt dat van enige overdracht van de ondernemingsactiviteiten van [gedaagde partij sub 1] op [gedaagde partij sub 2] geen sprake is. [gedaagde partij sub 1] bestaat als rechtspersoon nog en is nog altijd de feitelijk exploitant van de ondernemingsactiviteiten waarvoor [eisende partij] in dienst is genomen. Van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 BW Pro is dus geen sprake en [gedaagde partij sub 1] moet worden aangemerkt als de werkgever van [eisende partij] . Aangezien verder ook geen andere rechtsverhouding bestaat tussen [eisende partij] en [gedaagde partij sub 2] , worden alle vorderingen tegenover [gedaagde partij sub 2] afgewezen.
Het addendum is met succes buitengerechtelijk vernietigd
4.5.
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] hem op oneigenlijke gronden het addendum gedateerd 18 december 2024 hebben laten tekenen. De kantonrechter stelt vast dat de term ‘op oneigenlijke gronden’ in de wet niet voortkomt. De kantonrechter kan alleen al om die reden niet
voor rechtverklaren dat het addendum ‘op oneigenlijke gronden’ is ondertekend, omdat dit op zichzelf geen juridische betekenis heeft. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter uit de overige stellingen van [eisende partij] afleidt dat hij bedoeld heeft te stellen dat het addendum is tot stand gekomen onder misbruik van omstandigheden en daarom bij de brief van 3 april 2025 buitengerechtelijk is vernietigd. Omdat deze stelling ook relevant is voor de toewijsbaarheid van de door [eisende partij] gevorderde verklaring voor recht dat zijn salaris moet worden verhoogd met de CAO-verhogingen van 2025 en moet worden betaald op basis van een 40-urige werkwerk, alsook voor de vordering tot betaling van achterstallig salaris, zal de kantonrechter deze stelling – voor zover nodig onder ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden in de zin van artikel 25 Rv Pro – in het volgende beoordelen.
4.6.
Artikel 3:44 lid 1 BW Pro bepaalt dat een rechtshandeling vernietigbaar is, wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Lid 4 bepaalt verder dat van misbruik van omstandigheden sprake is, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Op grond van vaste jurisprudentie geldt in het geval van arbeidsverhoudingen dat onder ‘bijzondere omstandigheden’ in de hiervoor bedoelde zin ook kan worden verstaan de situatie waarin de ongelijkwaardige positie van een werknemer ten opzichte van zijn werkgever ertoe leidt dat de werknemer een voor hem nadelige beslissing neemt, die hij bij voor een dergelijke beslissing normaal te achten voorbereiding niet zou hebben genomen. [2]
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van misbruik van omstandigheden door [gedaagde partij sub 1] . [eisende partij] bevindt zich als werknemer in een ondergeschikte positie ten opzichte van [gedaagde partij sub 1] . [eisende partij] is in dienst in de functie van medewerker schoonmaakonderhoud, zodat in beginsel niet mag worden verwacht dat hij over enige juridische deskundigheid beschikt. Hij heeft ook onweersproken gesteld dat hij last heeft van woordblindheid en moeite heeft met het begrijpen van ingewikkelde teksten. [eisende partij] heeft daarnaast voldoende onderbouwd dat hij vóór het tekenen van het addendum aan [gedaagde partij sub 1] heeft gevraagd of hij dit eerst met zijn partner zou mogen bespreken. [gedaagde partij sub 1] weerspreekt dit, maar [eisende partij] heeft een e-mail van 23 december 2024 overgelegd waaruit blijkt dat hij dit nog dezelfde avond na het tekenen van het addendum bij [gedaagde partij sub 1] in herinnering heeft gebracht. [gedaagde partij sub 1] heeft niet weersproken dat zij niet schriftelijk op die e-mail heeft gereageerd om dit te ontkennen en de kantonrechter kan ook niet vaststellen dat dit mondeling wel is gebeurd.
4.8.
[gedaagde partij sub 1] heeft verder niet weersproken dat zij [eisende partij] ondanks zijn kwetsbare positie – die voor [gedaagde partij sub 1] op dat moment dus kenbaar was – heeft bewogen tot het tekenen van het addendum, in ieder geval doordat de leidinggevende van [eisende partij] , [naam 2] , heeft gezegd dat met het addendum voor [eisende partij] niks zou veranderen en hij het daarom wel kon tekenen. Of [gedaagde partij sub 1] daarnaast heeft gedreigd met ontslag indien [eisende partij] niet zou tekenen – hetgeen door [gedaagde partij sub 1] wordt betwist – kan in het midden blijven, omdat met het voorgaande hoe dan ook vaststaat dat [gedaagde partij sub 1] het ondertekenen van het addendum door [eisende partij] welbewust heeft bevorderd.
4.9.
De kantonrechter is verder van oordeel dat [gedaagde partij sub 1] , mede gelet op haar verplichting zich als een goed werkgever te gedragen (artikel 7:611 BW Pro), [eisende partij] had behoren te weerhouden van het tekenen van het addendum zonder de inhoud daarvan eerst met een (deskundige) derde te bespreken. [gedaagde partij sub 1] stelt dat dit niet nodig was omdat zij [eisende partij] een uitgebreide uitleg heeft gegeven over het addendum en hij dus met de inhoud daarvan bekend was. Zo zou [gedaagde partij sub 1] hebben uitgelegd dat de CAO-loonsverhogingen over het jaar 2025 geacht moeten worden te zijn inbegrepen in het laatstgenoten loon van eind 2024, omdat [eisende partij] al een salaris had hoger dan het voor zijn functie geldende CAO-loon. Ook zou [gedaagde partij sub 1] hebben toegelicht dat op grond van de CAO een arbeidsduur van 38 uur per week vereist is.
4.10.
Deze toelichting van [gedaagde partij sub 1] op het addendum is echter juridisch onjuist en in strijd met de CAO. Het kan er daarom niet voor gehouden worden dat [gedaagde partij sub 1] [eisende partij] voldoende heeft geïnformeerd over de wijzigingen in zijn arbeidsvoorwaarden die in het addendum zijn opgenomen. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
4.11.
Het staat vast dat [eisende partij] vóór het tekenen van het addendum in de maand december 2024 een salaris had van € 17,67 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag, met een arbeidsduur van 40 uur per week. Het klopt dat dit een hoger loon was dan het basisuurloon van € 16,40 bruto (loongroep 2 bij 4 of meer dienstjaren per 1 juli 2024) zoals in de CAO voorgeschreven. [gedaagde partij sub 1] gaat er in haar stellingen echter aan voorbij dat artikel 16 lid 2 van Pro de CAO een
minimaalbasisuurloon voorschrijft. Het staat partijen dus vrij om een hoger uurloon overeen te komen dan in de CAO vastgelegd. Artikel 18 van Pro de CAO, waarin de loonsverhogingen per 1 januari 2025, 1 juli 2025 en 1 januari 2026 zijn vastgelegd, bevat ook een bepaling waarin is voorgeschreven hoe de CAO-verhogingen doorgevoerd moeten worden in het geval het overeengekomen loon hoger is dan het geldende basisuurloon. In dat geval moeten de CAO-verhogingen worden doorgevoerd over het deel van het loon dat als basisuurloon geldt.
4.12.
Verder staat vast dat tussen partijen voorafgaand aan het addendum geen schriftelijke afspraak is gemaakt over de hoogte van het loon. De kantonrechter is van oordeel dat bij gebrek aan een dergelijke afspraak, [eisende partij] ervan mocht uitgaan dat het loon dat hij feitelijk door [gedaagde partij sub 1] kreeg uitbetaald en dat op zijn salarisstroken is weergegeven het voor hem geldende loon was. [gedaagde partij sub 1] kan zich er dan ook niet met terugwerkende kracht op beroepen dat het salaris van [eisende partij] ‘te hoog’ zou zijn geweest als gevolg van een fout in haar salarisadministratie. Bij gebrek aan een schriftelijke loonafspraak is die fout – voor zover daarvan al sprake is geweest – immers op geen enkele wijze kenbaar geweest voor [eisende partij] .
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat het in artikel 5.1 van het addendum opgenomen beding in strijd is met de CAO. De strekking van dat beding is dat het reeds in december 2024 door [eisende partij] genoten salaris (met terugwerkende kracht) geacht moet worden
inclusiefde CAO-verhogingen van 2025 te zijn. Het gevolg hiervan is feitelijk dat [gedaagde partij sub 1] de aanspraken van [eisende partij] op de CAO-verhogingen van 2025 volledig heeft willen uitsluiten, terwijl hij op grond van artikel 18 van Pro de CAO recht had op (in ieder geval) een verhoging van het deel van zijn salaris dat als basisuurloon geldt voor zijn loon- en functiegroep. Voor zover [eisende partij] zich al niet op vernietiging van het (volledige) addendum had beroepen, is in ieder geval dit beding daarom nietig (artikel 12 lid 1 Wet Pro op de collectieve arbeidsovereenkomst).
4.14.
Ook de stelling van [gedaagde partij sub 1] dat het op grond van de CAO nodig was om de arbeidsduur van [eisende partij] terug te brengen tot 38 uur per week is juridisch onjuist. Artikel 13 lid 1 van Pro de CAO bepaalt dat de normale arbeidsduur gemiddeld 38 uur tot maximaal 48 uur per week over een periode van 4 weken bedraagt. Een arbeidsduur van 40 uur per week is dus weldegelijk toegestaan. Ook op dit punt heeft [gedaagde partij sub 1] [eisende partij] dus verkeerd geïnformeerd. [gedaagde partij sub 1] stelt verder dat [eisende partij] feitelijk geen 40 uur per week werkte. Voor zover dat echter al zo is – hetgeen door [eisende partij] wordt betwist – neemt dat niet weg dat in de schriftelijke arbeidsovereenkomst geen aantal werkuren per week is overeengekomen, maar wel werktijden die niet wijzen op een aanstelling voor minder van 40 uur per week. Ook staat vast dat [eisende partij] tot en met december 2024 altijd voor 40 uur per week is betaald.
Ook heeft [eisende partij] onweersproken gesteld dat zijn takenpakket na het addendum ongewijzigd is gebleven. Dat wijst erop dat [gedaagde partij sub 1] uitvoering aan de arbeidsovereenkomst heeft gegeven die past bij een arbeidsomvang van 40 uur. Dat [eisende partij] uitdrukkelijk akkoord heeft willen gaan met een verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden door zijn aanstelling met twee uur per week te verlagen en dus minder betaald te krijgen, is niet aannemelijk en ook niet onderbouwd.
4.15.
De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat [eisende partij] in de brief van 3 april 2025 met succes het addendum buitengerechtelijk heeft vernietigd wegens misbruik van omstandigheden (3:49 BW), omdat [gedaagde partij sub 1] ondanks de bijzondere kwetsbaarheid van [eisende partij] heeft bevorderd dat hij het voor hem nadelige addendum zou ondertekenen, terwijl [gedaagde partij sub 1] (als goed werkgever) hem had moeten behoeden voor het ondertekenen daarvan zonder dit eerst met een (deskundige) derde te bespreken. Dat addendum moet daarom met terugwerkende kracht geacht worden niet tussen partijen te zijn overeengekomen (3:53 BW). Aangezien de gevolgen van vernietiging dezelfde zijn als de gevolgen van nietigheid en [eisende partij] ter zake niet een specifieke verklaring voor recht vordert, kan de vraag of en zo ja welke delen van het addendum tevens nietig zijn wegens strijd met de CAO – voor zover die vraag met het voorgaande niet reeds is beantwoord – in het midden blijven. De gevorderde verklaring voor recht met de strekking dat het salaris moet worden vermeerderd met de CAO-verhogingen van 2025 en moet worden betaald op basis van een 40-urige werkweek, wordt zoals in de beslissing weergegeven toegewezen.
Het salaris
4.16.
[eisende partij] vordert verder betaling van (kort gezegd) het achterstallig salaris over de periode januari 2025 tot de dag van dagvaarding (17 september 2025). [gedaagde partij sub 1] heeft opgemerkt dat in het petitum van de dagvaarding niet staat welk bedrag aan salaris wordt gevorderd. Hoewel dat inderdaad zo is, volgt uit randnummer 30 van de dagvaarding duidelijk dat [eisende partij] bedoeld heeft een bedrag van € 3.861,27 bruto (inclusief vakantiegeld) te vorderen. [eisende partij] heeft de berekening van dat bedrag in zijn dagvaarding uiteengezet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het verweer van [gedaagde partij sub 1] dat deze berekening niet klopt omdat het salaris van [eisende partij] berust op een fout van de administratie en de CAO-verhogingen daarin reeds zijn inbegrepen, niet slaagt. [gedaagde partij sub 1] heeft de berekening van het achterstallige salaris voor het overige niet betwist. Een bedrag van € 3.861,27 bruto (inclusief vakantiegeld) aan achterstallig salaris vanaf januari 2025 tot de dag van dagvaarding wordt daarom toegewezen. De pensioenafdracht van [gedaagde partij sub 1] zal conform dit hogere salaris moeten worden herberekend en afgedragen, zodat ook die vordering wordt toegewezen zoals in de beslissing weergegeven. [gedaagde partij sub 1] moet van deze betalingen ook een bruto/netto-specificatie aan [eisende partij] overleggen. De kantonrechter zal de daarover gevorderde dwangsom echter afwijzen, alleen al omdat uit het petitum van de dagvaarding niet blijkt per wanneer die dwangsom volgens [eisende partij] zou moeten ingaan.
4.17.
Uit het petitum van de dagvaarding lijkt verder te volgen dat [eisende partij] betaling vordert van zijn opgebouwde verlofuren over de periode januari 2025 tot de dag van dagvaarding. Hoewel de opbouw van de verlofuren van [eisende partij] over die periode zal moeten worden herberekend met inachtneming van een arbeidsduur van 40 uur per week, heeft [eisende partij] niet gesteld waarom deze verlofopbouw aan hem zou moeten worden uitgekeerd in geld. Die vordering wordt daarom afgewezen.
4.18.
Over het achterstallig salaris van € 3.861,27 bruto (inclusief vakantiegeld) is ook de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim (artikel 6:119 BW Pro). Die vordering wordt daarom toegewezen. Daarnaast is de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro daarover toewijsbaar, omdat door [gedaagde partij sub 1] niet tijdig is betaald. Aangezien dit niet tijdig betalen het gevolg is van misbruik van omstandigheden en handelen in strijd met de CAO door [gedaagde partij sub 1] , ziet de kantonrechter geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. Een verhoging van 50 procent wordt daarom toegewezen.
Kosten
4.19.
[eisende partij] vordert tot slot een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Zowel uit het petitum van de dagvaarding als uit het lichaam daarvan blijkt niet welk bedrag aan buitengerechtelijke kosten [eisende partij] vordert. Het is ook niet aan de kantonrechter om dit namens [eisende partij] te berekenen. Die vordering wordt daarom afgewezen.
4.20.
[gedaagde partij sub 1] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 257,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x € 288,0)
- nakosten
€ 144,00(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing)
Totaal € 1.122,45
4.21.
[eisende partij] wordt ten opzichte van [gedaagde partij sub 2] in het ongelijk gesteld en moet daarom haar proceskosten betalen. Aangezien [gedaagde partij sub 1] en [gedaagde partij sub 2] gezamenlijk verweer hebben gevoerd, terwijl [gedaagde partij sub 1] de dochtervennootschap van [gedaagde partij sub 2] is en [gedaagde partij sub 1] in het ongelijk wordt gesteld, gaat de kantonrechter ervanuit dat [gedaagde partij sub 2] voor haar verweer geen aparte proceskosten heeft hoeven maken. Haar proceskosten worden daarom vastgesteld op nihil.

5.Beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde partij sub 1] het salaris vanaf december 2024, te vermeerderen met de CAO-verhogingen per 1 januari 2025 en 1 juli 2025 aan [eisende partij] moet doorbetalen op basis van een 40-urige werkweek;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij sub 1] om aan [eisende partij] te betalen het achterstallig salaris over de periode januari 2025 tot 17 september 2025 van € 3.861,27 bruto (inclusief vakantiegeld) en haar pensioenafdracht over deze periode in overeenstemming hiermee te vermeerderen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie hiervan aan [eisende partij] ;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij sub 1] om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke rente over het achterstallig salaris van € 3.861,27 bruto (inclusief vakantiegeld) vanaf de respectievelijke data van verzuim tot de dag dat alles is betaald;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij sub 1] om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro van 50 procent van het achterstallig salaris van € 3.861,27 bruto (inclusief vakantiegeld);
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij sub 1] in de proceskosten van [eisende partij] van € 1.122,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij sub 1] niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van [gedaagde partij sub 2] , begroot op nihil;
5.7.
verklaart de veroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.L.M. Staals en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2026.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBNNE:2014:1433 en ECLI:NL:RBARN:1982:AG9763 (over het soortgelijke art. 1639aa en 1639bb oud-BW).
2.HR 5 februari 1999, NJ 1999/652 (